ECLI:NL:CRVB:2010:BM2377

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2956 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen

Appellant, voormalig productiemedewerker, heeft zich in oktober 2005 ziek gemeld en verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV heeft op 24 augustus 2007 besloten dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering en heeft dit besluit bij bezwaar van 2 april 2008 gehandhaafd. De rechtbank Breda heeft het beroep van appellant tegen het besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten omdat de medische beperkingen onvoldoende waren aangetoond.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn afnemende spierkracht, diabetes en hartklachten onvoldoende zijn meegewogen en dat een deskundige benoemd had moeten worden. Tevens stelde hij dat informatie van zijn behandelend artsen niet was opgevraagd. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de nieuwe informatie van de huisarts geen nieuwe gezichtspunten bevat die tot een ander oordeel leiden en dat de verzekeringsartsen deze informatie reeds hebben meegewogen.

De Raad concludeert dat de geduide functies licht van aard zijn en voornamelijk zittend kunnen worden uitgevoerd, zodat appellant deze kan verrichten. Er is geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

09/2956 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 april 2009, 08/3298 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.B.M. Pessers, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2009. Appellant was vertegenwoordigd door mr. Pessers en het Uwv was vertegenwoordigd door L. den Hartog.
Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen informatie bij de huisarts van appellant in te winnen.
Bij schrijven van 18 februari 2010 heeft het Uwv het journaal van de huisarts, afgedrukt op 2 februari 2010, alsmede een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 15 februari 2010 overgelegd.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 maart 2010. Appellant was wederom vertegenwoordigd door mr. Pessers en het Uwv door Den Hartog.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker.
Op 12 oktober 2005 heeft hij zich vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld.
1.2. Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft het Uwv meegedeeld dat hij per 10 oktober 2007 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.3. Bij besluit op bezwaar van 2 april 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Appellant heeft in beroep geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij meer beperkingen heeft. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. De rechtbank is voldoende overtuigd dat de geduide functies voor appellant geschikt zijn. Nu de medische geschiktheid van de functies pas in beroep voldoende is toegelicht moet het bestreden besluit worden vernietigd onder instandlating van de rechtsgevolgen daarvan.
3. Het hoger beroep richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen om zijn afnemende spierkracht te onderzoeken. Hij lijdt aan diabetes en heeft hartklachten. Ten onrechte is geen informatie van de behandelend artsen opgevraagd.
4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts leidt evenmin tot een andere conclusie. Ten aanzien van de datum in geding bevat deze geen informatie die nog niet eerder bekend was; deze informatie is door de (bezwaar)verzekeringsartsen meegewogen. De Raad ziet hierin ook geen reden om een deskundige te raadplegen.
4.2. De Raad ziet voorts geen aanleiding voor de conclusie dat appellant de geduide functies niet zou kunnen verrichten. De functies zijn licht en kunnen voornamelijk zittend worden uitgevoerd.
5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M.A. van Amerongen.
GdJ