ECLI:NL:CRVB:2010:BM2377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellant, voormalig productiemedewerker, heeft zich in oktober 2005 ziek gemeld en verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV heeft op 24 augustus 2007 besloten dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering en heeft dit besluit bij bezwaar van 2 april 2008 gehandhaafd. De rechtbank Breda heeft het beroep van appellant tegen het besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten omdat de medische beperkingen onvoldoende waren aangetoond.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn afnemende spierkracht, diabetes en hartklachten onvoldoende zijn meegewogen en dat een deskundige benoemd had moeten worden. Tevens stelde hij dat informatie van zijn behandelend artsen niet was opgevraagd. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de nieuwe informatie van de huisarts geen nieuwe gezichtspunten bevat die tot een ander oordeel leiden en dat de verzekeringsartsen deze informatie reeds hebben meegewogen.
De Raad concludeert dat de geduide functies licht van aard zijn en voornamelijk zittend kunnen worden uitgevoerd, zodat appellant deze kan verrichten. Er is geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.