ECLI:NL:CRVB:2010:BM2581
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplichting ZFW-verzekering en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Appellant was vanaf 1 januari 2005 verplicht verzekerd op grond van de Ziekenfondswet (Zfw), zoals vastgesteld door het Uwv na toetsing van zijn inkomen op 1 november 2004. Het Uwv had het besluit van 26 november 2004 gehandhaafd in een besluit van 12 oktober 2005, waarbij het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel werd verworpen.
De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit van 12 oktober 2005 wegens schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, en kende appellant een vergoeding van €400 toe voor immateriële schade. De rechtbank bevestigde tevens de verzekeringsplicht van appellant en wees het beroep op het vertrouwensbeginsel af.
In hoger beroep voerde appellant procedurele grieven aan en stelde nietigheid van de uitspraak wegens vermeende ongeldigheid van de rechter. De Raad verwierp deze grieven, bevestigde het oordeel van de rechtbank over de verzekeringsplicht en het vertrouwensbeginsel, en stelde vast dat het verzoek tot vergoeding van materiële schade niet toewijsbaar was.
De Raad herstelde een kennelijke misslag door expliciet te bepalen dat het Uwv de vergoeding van €400 aan appellant dient te betalen. Verder bevestigde de Raad de proceskostenveroordeling en wees het verzoek tot vergoeding van kosten in bezwaar af omdat het primaire besluit niet was herroepen.
De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 26 april 2010, waarbij het Uwv werd veroordeeld tot betaling van €400 aan appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten in beroep.
Uitkomst: Het Uwv is veroordeeld tot betaling van €400 aan appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten in beroep.