ECLI:NL:CRVB:2010:BM3582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WAO-uitkering en redelijke termijn in hoger beroep
Appellant heeft tegen drie besluiten van het UWV hoger beroep ingesteld waarin de weigering van WAO-uitkeringen wordt bestreden. De medische rapportages en arbeidskundige beoordelingen ondersteunen het standpunt van het UWV dat appellant niet voldoende arbeidsongeschikt is om een uitkering te ontvangen. De Raad heeft de medische beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) als juist beoordeeld en ziet geen aanleiding voor meer of verdergaande beperkingen.
De Raad heeft tevens overwogen dat de psychische klachten van appellant wel zijn onderkend, maar dat er geen duidelijke psychiatrische diagnose is gesteld die tot een andere beoordeling zou leiden. De bezwaarverzekeringsarts heeft adequaat gereageerd op eerdere rapportages, waaronder die van verzekeringsarts Hagenbeek, die een andere conclusie trok in het kader van de Ziektewet.
Ten aanzien van de redelijke termijn heeft de Raad geoordeeld dat de langere duur van de rechterlijke fase gerechtvaardigd is vanwege de complexiteit van de zaak en het feit dat appellant zelf om uitstel heeft gevraagd voor het aanleveren van medische rapporten. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is daarom afgewezen.
De aangevallen uitspraken van de rechtbank Arnhem worden bevestigd, waarbij de weigering van de WAO-uitkeringen gehandhaafd blijft en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De Raad ziet geen aanleiding het onderzoek te heropenen of aanvullende medische deskundigen te raadplegen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkeringen en wijst het verzoek om schadevergoeding af.