ECLI:NL:CRVB:2010:BM3583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens verblijfsstatus en geen schending recht op gezinsleven
Appellante, een Nigeriaanse vrouw zonder geldige verblijfsvergunning, verzocht bij de gemeente Amsterdam om maatschappelijke opvang in de vorm van een woonvoorziening geschikt voor bewoning met haar kinderen. Het College weigerde dit op grond van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zij geen rechtmatig verblijf had. Het bezwaar tegen deze weigering werd ongegrond verklaard door het College en bevestigd door de voorzieningenrechter.
In hoger beroep betoogde appellante dat maatschappelijke opvang wel onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) valt en dat haar recht op gezinsleven, zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, door de weigering werd geschonden. Zij stelde dat zij het gezag over haar kinderen heeft en dagelijks contact met hen onderhoudt, maar zonder opvang geen woonplek heeft om samen te leven.
De Raad oordeelde dat maatschappelijke opvang geen individuele voorziening is in de zin van de Wmo, maar een collectieve voorziening waarvoor het koppelingsbeginsel van de Vreemdelingenwet geldt. Omdat appellante geen rechtmatig verblijf had, kon zij geen aanspraak maken op maatschappelijke opvang. Verder stelde de Raad dat de weigering geen disproportionele inbreuk vormt op het recht op gezinsleven, mede omdat appellante het gezag heeft en contact met haar kinderen onderhoudt. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees de aanvraag af.
Uitkomst: De aanvraag om maatschappelijke opvang werd afgewezen wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en geen schending van artikel 8 EVRM.