ECLI:NL:CRVB:2010:BM3693

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6797 AW + 08-6798 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging waardering functionele vorming afdelingschef tuinbouw EMCO-groep

Appellanten, werkzaam als afdelingschef Tuinbouw bij de EMCO-groep, maakten bezwaar tegen de waardering van het gezichtspunt functionele vorming binnen hun functiewaardering. Het dagelijks bestuur had hun functie ingedeeld in salarisschaal 8 met een score van 2 punten voor functionele vorming, wat neerkomt op maximaal twee jaar aanvullende opleiding na de beroepsopleiding.

De rechtbank verklaarde eerder de beroepen van appellanten ongegrond, waarna de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandelde. De Raad overwoog dat de beroepsopleiding op het hoogste MBO-niveau al gericht is op commerciële en bedrijfsmatige aspecten die relevant zijn voor de functie, en dat de aanvullende activiteiten van appellanten geen verdere functionele vorming vereisen dan reeds toegekend.

Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen, omdat het dagelijks bestuur aannemelijk had gemaakt dat er relevante verschillen zijn met andere functies. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het beroep van appellanten af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de waardering van functionele vorming met 2 punten wordt bevestigd.

Uitspraak

08/6797 AW en 08/6798 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
1. [appellant 1], wonende te [woonplaats 1], en
2. [appellant 2], wonende te [woonplaats 2],
(hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 14 oktober 2008, 08/14 en 08/145 (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
appellanten
en
het dagelijks bestuur van de EMCO-groep (hierna: dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 29 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2010. De zaken zijn gevoegd behandeld. Appellanten zijn verschenen met bijstand van mr. W. de Kleine, advocaat te Emmen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.W. Brouwer, advocaat te Groningen, alsmede door H.G. Heegen en B.J. van der Spoel, beiden werkzaam bij de EMCO-groep.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een meer uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2007, LJN BB6605, 06/4301 AW en 06/4302 AW. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellanten waren ten tijde hier van belang als afdelingschef Tuinbouw werkzaam bij de EMCO-groep. Bij besluiten van januari 2005 heeft het dagelijks bestuur de beschrijving en de waardering van hun functies vastgesteld. De uitkomst van de waardering is vastgesteld op hoofdgroep III met 13 punten voor de secundaire factoren, hetgeen overeenkomt met een indeling in salarisschaal 8.
1.2. Bij besluiten van 7 september 2005 heeft het dagelijks bestuur na door appellanten gemaakt bezwaar een extra punt toegekend voor het gezichtspunt leidinggeven, hetgeen echter niet heeft geleid tot indeling in een hogere schaal. De bezwaren van appellanten tegen de toegekende score van twee punten op het gezichtspunt functionele vorming zijn ongegrond verklaard. Bij uitspraken van de rechtbank Assen van 30 mei 2006, 05/1227 en 05/1228, zijn de tegen die besluiten gerichte beroepen ongegrond verklaard.
1.3. De Raad heeft in zijn voornoemde uitspraak van 18 oktober 2007 overwogen dat de besluiten van 7 september 2005 zijn genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), deze besluiten vernietigd, evenals de uitspraken waarbij die besluiten in stand zijn gelaten, en het dagelijks bestuur opgedragen nieuwe beslissingen op de bezwaren van appellanten te nemen, met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.
1.4. Bij besluiten van 23 januari 2008 (hierna: bestreden besluiten) heeft het dagelijks bestuur ter uitvoering van de uitspraak van de Raad opnieuw op de bezwaren beslist en de bezwaren weer ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak zijn de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de conclusie van het dagelijks bestuur, dat na de beroepsopleiding niet meer dan één tot maximaal twee jaar school- en/of praktijkopleiding nodig is, nu wel op een toereikende grondslag en motivering berust.
3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
4.1. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de waardering van het gezichtspunt functionele vorming. De daarbij door de rechter aan te leggen toetsingsmaatstaf is, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, terughoudend.
4.2. Ingevolge het toepasselijke ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS) 2006 worden twee punten toegekend indien na de beroepsopleiding (Mbo-4, plus de tijd van twee jaar die benodigd is voor het operationeel maken van de kennis die in deze opleiding is opgedaan) meer dan één tot maximaal twee jaar school- en/of praktijkopleiding nodig is. Een score van drie punten staat voor meer dan twee tot maximaal vier jaar school- en/of praktijkopleiding. Uit de toelichting komt onder meer naar voren dat het bij functionele vorming gaat om aspecten die in de beroepsopleiding niet of nauwelijks zijn behandeld, dat praktijkervaring mede als kennisvermeerdering in aanmerking wordt genomen en dat ook kennis die nodig is om leiding te kunnen geven of voor het kunnen hebben van (ingewikkelde) contacten bij dit gezichtspunt dient te worden gewaardeerd.
4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat gelet op de erkende individuele aanvullingen op de organieke functiebeschrijving, zoals weergegeven in het FUWA-reactieformulier, in de functie van appellanten sprake is van actieve acquisitie ten behoeve van (nieuwe) externe werkzaamheden en dat sprake is van het maken van prijsafspraken en commerciële activiteiten, zoals detachering van medewerkers. In het geval van appellant 2 is voorts sprake van actieve acquisitie ten behoeve van het inlenen van tijdelijk personeel en/of (buitenlandse) stagiaires. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat een goede vervulling van hun functie gezien deze aanvullingen meer functionele vorming vereist dan in de waardering van de functie tot uitdrukking is gebracht, zodat een score van 3 punten voor dat gezichtspunt gerechtvaardigd is.
4.4. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat op een juiste wijze uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2007. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, is voorts ook de Raad van oordeel dat de voornoemde individuele aanvullingen op de organieke functiebeschrijving geen verdergaande functionele vorming vergen dan tot uitdrukking wordt gebracht met een score van 2 punten. De Raad heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat op grond van de stukken en hetgeen ter toelichting daarop door het dagelijks bestuur naar voren is gebracht, voldoende aannemelijk is geworden dat de voor de functie vereiste beroeps-opleiding op het hoogste MBO-niveau reeds mede is gericht op commerciële en bedrijfsmatige aspecten, zoals in- en verkoop, het onderhandelen met exporteurs en personele aangelegenheden als waar appellanten mee te maken hebben. Gezien het vorenstaande acht de Raad evenals de rechtbank het standpunt van het dagelijks bestuur, dat na de beroepsopleiding niet meer dan één tot maximaal twee jaar school- en/of praktijkopleiding nodig is om de in de individuele aanvullingen genoemde activiteiten goed te kunnen vervullen, niet onhoudbaar.
4.5. Met betrekking tot het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur voldoende onderbouwd heeft dat sprake is van relevante verschillen met de functie-inhoud van de andere afdelingschef tuinbouw. De afwijzing door het dagelijks bestuur van het beroep op het gelijkheidsbeginsel vindt overigens steun in een ten aanzien van die andere afdelingschef gegeven advies van de Bezwaren- en Geschillencommissie, waarin is aangegeven dat juist het ontbreken van een productiebureau een ophoging van de score van functionele vorming met 1 punt rechtvaardigt.
5. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD