ECLI:NL:CRVB:2010:BM4269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd onderzocht vanwege vermoedens van onjuiste opgave van werkzaamheden bij een shoarmazaak. Uit waarnemingen bleek dat appellant meer uren aanwezig was dan opgegeven, wat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van een bedrag.
De rechtbank vernietigde het besluit van het College over de gehele periode, behalve voor de periode van 19 november tot en met 1 december 2006, waar wel sprake was van schending van de inlichtingenverplichting. Het College beperkte daarop de intrekking en terugvordering tot deze periode.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen waardeerbare arbeid verrichtte tijdens de geconstateerde aanwezigheid. De Raad oordeelt dat de schending van de inlichtingenverplichting terecht is vastgesteld en dat het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.