ECLI:NL:CRVB:2010:BM4541

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6342 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens loondoorbetalingsverplichting werkgever

Appellant was sinds 4 oktober 2005 arbeidsongeschikt en werd op 1 juni 2006 hersteld verklaard waarna het dienstverband werd beëindigd. De werkgever meldde de ziekte bij het UWV met het verzoek om een Ziektewet-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de werkgever volgens de loondoorbetalingsverplichting het loon moest doorbetalen. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare termijnoverschrijding.

Appellant diende vervolgens een herhaalde aanvraag in voor ziekengeld per 1 juni 2006, die het UWV ook afwees. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het bezwaar tegen de eerdere weigering niet-ontvankelijk was en dat het UWV terecht geen hoorzitting hield bij de bezwaarprocedure omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat de eerdere afwijzing in rechte onaantastbaar is en dat de herhaalde aanvraag geen nieuwe feiten bevatte die herziening rechtvaardigen. Het UWV heeft terecht het bezwaar ongegrond verklaard en mocht afzien van een hoorzitting. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

08/6342 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2008, 07/4781 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P. Goettsch, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Goettsch. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, die laatstelijk werkzaam was bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats], is op 4 oktober 2005 voor zijn werk uitgevallen wegens ziekte. Op 1 juni 2006 is hij door de werkgever hersteld verklaard en is het dienstverband beëindigd. Vervolgens heeft de werkgever bij het Uwv een aangifte gedaan van ziekte per einde dienstverband, in verband met de aanvraag om een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 17 juli 2006 heeft het Uwv een ZW-uitkering geweigerd, op de grond dat de werkgever een loondoorbetalingsverplichting heeft. Bij brief van 28 maart 2007 is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 mei 2007 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 juli 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare termijnoverschrijding.
1.2. Bij brief van 28 maart 2007 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend om met ingang van 1 juni 2006 in aanmerking te komen voor ziekengeld, omdat hij op die datum nog steeds arbeidsongeschikt was. Appellant heeft op 5 juni 2007 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 28 maart 2007. Bij besluit van 27 november 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in het besluit van 17 juli 2006 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud staat vermeld dat in de situatie van appellant geen ziekengeld wordt uitbetaald, omdat zijn werkgever verplicht is tijdens zijn ziekte het salaris door te betalen en appellant daardoor geen recht heeft op ziekengeld. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat het tegen het besluit van 17 juli 2006 ingediende bezwaarschrift bij besluit van 30 mei 2007 niet-ontvankelijk is verklaard en dat laatstgenoemd besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Volgens de rechtbank heeft het Uwv het bezwaarschrift tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om ziekengeld terecht ongegrond verklaard. Nu in bezwaar geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht, heeft het Uwv volgens de rechtbank op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen van appellant kunnen afzien.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat op zijn aanvraag van 28 maart 2007 om met ingang van 1 juni 2006 in aanmerking te komen voor ziekengeld geen beslissing is genomen en dat ten onrechte is afgezien van het houden van een hoorzitting in de bezwaarfase.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Bij besluit van 17 juli 2006 heeft het Uwv afwijzend op de aanvraag van appellant om ziekengeld beslist. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is dat besluit in rechte onaantastbaar geworden. Op 28 maart 2007 heeft appellant opnieuw een aanvraag om ziekengeld ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv de zaak opnieuw beoordeeld, hetgeen niet tot een andere uitkomst heeft geleid. De Raad merkt de aanvraag van 28 maart 2007 aan als een herhaalde aanvraag. Het besluit op de eerdere aanvraag kan immers geen betrekking hebben op een eerdere datum dan 1 juni 2006, omdat tot die datum een loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever gold.
4.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
4.3. Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant aangevoerd dat hij sinds zijn uitdiensttreding per 1 juni 2006 nog steeds en onverminderd arbeidsongeschikt is. Daarbij gaat het echter niet om nieuwe feiten en omstandigheden, aangezien dit reeds bekend was ten tijde van het besluit van 17 juli 2006. Daarvan uitgaande kan, gelet op hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Ook de in hoger beroep door appellant overgelegde gegevens kunnen de Raad niet tot een ander oordeel leiden.
4.4. Nu het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat aan het verzoek van appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb ten grondslag zijn gelegd, kon er redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat het bezwaar ongegrond was. Het Uwv heeft derhalve terecht op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb ervan afgezien appellant te horen alvorens op het bezwaar te beslissen.
4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) A.L. de Gier.
EK