ECLI:NL:CRVB:2010:BM4568
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.B.J. van der Ham
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-melding werkzaamheden als prostituee
Appellante ontving vanaf 1998 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. In 2004 ontstond het vermoeden dat zij als prostituee werkzaam was, waarop de sociale recherche een onderzoek instelde. Het College trok bijstand in over de periode 2000-2005 wegens niet-melding van deze werkzaamheden en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond voor bepaalde periodes, maar oordeelde dat onvoldoende bewijs was voor doorlopende werkzaamheden in 2000-2001 en 2003. In hoger beroep werd bevestigd dat appellante in 2001, 2002 en begin 2005 als prostituee werkte, maar niet doorlopend in 2004.
Omdat appellante geen administratie bijhield en haar inkomsten niet meldde, was het College bevoegd de bijstand over genoemde periodes in te trekken en terug te vorderen. De Raad achtte het beleid van het College om terugvordering toe te passen passend en vond geen dringende redenen om daarvan af te wijken.
Het besluit van 29 augustus 2008, dat het bezwaar deels ongegrond verklaarde en terugvordering bevestigde, werd vernietigd omdat het geen grondslag meer had na de eerdere uitspraak. Het College werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd.