ECLI:NL:CRVB:2010:BM5079
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dagloon WW na faillissement werkgever met correctie vakantieberekening
Appellant, een metselaar die werd ontslagen wegens het faillissement van zijn werkgever, kreeg een WW-uitkering toegekend waarbij het UWV het dagloon berekende op basis van 92,5% van de waarde van vakantiebonnen. De rechtbank had het besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van het bedrag en onduidelijkheid over de berekening.
In hoger beroep betwist appellant dat het UWV terecht slechts 92,5% van de vakantiebonnen heeft meegenomen en stelt dat 100% had moeten gelden. De Raad bevestigt echter dat het uitgangspunt het daadwerkelijk uitbetaalde SV-loon is en dat het UWV correct heeft gehandeld volgens de geldende regelgeving.
Het UWV erkent dat bij de berekening een bedrag van €31,90 aan vakantierechtwaarden over tariefuren niet was meegenomen, waardoor het dagloon iets te laag was vastgesteld. De Raad vernietigt het besluit en stelt het dagloon definitief vast op €138,22. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het dagloon wordt definitief vastgesteld op €138,22 en het besluit van het UWV wordt vernietigd.