AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling weigering WIA- en ziekengelduitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig transportplanner, werd wegens psychische klachten arbeidsongeschikt verklaard en vroeg om een WIA-uitkering en ziekengeld. Het UWV weigerde deze uitkeringen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen toegenomen arbeidsongeschiktheid kon worden vastgesteld.
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant niet waren onderschat. Ook concludeerde de Raad dat de door appellant te bezoeken trombosedienst geen reden is voor een duurbeperking.
De Raad verwierp de diagnose posttraumatische stressstoornis van appellant omdat de noodzakelijke levensbedreigende gebeurtenis ontbrak. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het UWV dat appellant niet toegenomen arbeidsongeschikt is geworden door dezelfde of een nieuwe ziekteoorzaak binnen vier weken na afloop van de wachttijd.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellant en dat hij voor deze functies niet ongeschikt is. De aangevallen uitspraken van de rechtbanken worden daarmee bevestigd en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering en ziekengeld toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Uitspraak
08/102 WIA
08/3922 ZW
08/3924 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank Leeuwarden van 27 november 2007, 07/1196 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 26 mei 2008, 07/2567 en 07/2568 (hierna: aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Partijen hebben stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2010. Appellant is verschenen met bijstand van zijn gemachtigde, mr. M. Tracey. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is laatstelijk voor 40 uur per week als transportplanner werkzaam geweest in dienst van [werkgever] te [vestigingsplaats]. Op 9 december 2004 is hij wegens psychische klachten ten gevolge van een arbeidsconflict uitgevallen voor dat werk. Bij besluit van 21 november 2006 heeft het Uwv geweigerd om appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij per 7 december 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 10 april 2007 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Het besluit van 21 november 2006 en bestreden besluit 1 rusten op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.
1.2. Het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 is door de rechtbank bij aangevallen uitspraak 1 ongegrond verklaard.
1.3. Appellant heeft zich, terwijl hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, op 12 april 2007 ziek gemeld met psychische klachten. Bij besluit van 6 juni 2007 heeft het Uwv beslist dat appellant met ingang van 8 juni 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juni 2007 is bij besluit van 3 september 2007 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Het besluit van 6 juni 2007 en bestreden besluit 2 rusten op verzekeringsgeneeskundige onderzoeken.
1.4. Bij besluit van 10 mei 2007 heeft het Uwv geweigerd om appellant een uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen, omdat appellant niet voldoet aan de in artikel 55 vanPro die wet neergelegde voorwaarde dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van eveneens 3 september 2007 (bestreden besluit 3) ongegrond verklaard. Het besluit van 10 mei 2007 en bestreden besluit 3 rusten op verzekeringsgeneeskundige onderzoeken.
2. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 2 de beroepen tegen de bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
08/102 WIA
3.1.1. Appellant heeft voor zijn gronden in hoger beroep in de eerste plaats verwezen naar hetgeen hij in beroep naar voren heeft gebracht. Samengevat voert appellant aan dat het medisch onderzoek dat aan bestreden besluit 1 ten grondslag ligt ondeugdelijk is en dat het Uwv de bij appellant bestaande arbeidsbeperkingen heeft onderschat.
3.1.2. De rechtbank is, na toetsing van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1, tot het oordeel gekomen dat de door het Uwv bij appellant vastgestelde beperkingen voor het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. De Raad volgt de rechtbank in het bijzonder in het oordeel dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan de onderhavige besluitvorming ten grondslag ligt en aan de juistheid van de uitkomsten van dat onderzoek. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd.
3.1.3. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep voorts naar voren heeft gebracht, verenigt de Raad zich met het standpunt van het Uwv dat de door appellant tweewekelijks af te leggen bezoeken aan de trombosedienst niet een zogenoemde duurbeperking rechtvaardigen. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat hierop neer komt dat, gezien de beperkte frequentie van die bezoeken, van een werkgever mag worden verwacht dat hij een werknemer tot het afleggen ervan de mogelijkheid laat, zo niet die werkgever daartoe al gehouden is op grond van de tussen hem en de werknemer bestaande rechtsverhouding.
3.1.4. Verder acht de Raad het oordeel van de rechtbank juist dat in de brief van 21 juni 2007 van de appellant behandelend psycholoog A.M. Keuning geen aanleiding gevonden wordt om te veronderstellen dat, op de hier van belang zijnde datum, zwaardere beperkingen voor appellant golden dan door het Uwv is vastgesteld. De Raad ziet ook overigens appellants, onder verwijzing naar de in hoger beroep overgelegde brief van 2 mei 2008 van de psychiater D.W. Oppedijk naar voren gebrachte, stelling niet slagen dat de psychische belastbaarheid onjuist is vastgesteld. Deze psychiater antwoordt op vanwege appellant gestelde vragen dat appellant lijdt aan een post traumatische stress stoornis en een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken. Verder is er volgens deze psychiater sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis. Het Uwv heeft zich tegen deze opvatting verzet onder verwijzing naar de rapporten van 10 juli 2008 en 27 januari 2009 van bezwaarverzekeringsarts T. Miedema. Deze betoogt dat de door Oppedijk bij appellant gestelde diagnose posttraumatische stressstoornis zou betekenen dat er bij appellant een zeer ernstig ziektebeeld zou bestaan. Die diagnose mag echter eerst worden gesteld als aan voorwaarden wordt voldaan, die Oppedijk zelf ook noemt. Als dergelijke voorwaarde geldt het getuige zijn van of meemaken van een levensbedreigende gebeurtenis, die een feitelijke bedreiging met de dood of ernstige verwonding met zich mee heeft gebracht. Bij appellant is daarvan geen sprake, aldus deze bezwaarverzekeringsarts. De Raad volgt dit standpunt van het Uwv. Hij heeft geen aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het hier vermelde oordeel van de bezwaarverzekeringsarts Miedema. Voorts laat de Raad wegen dat de bezwaarverzekeringsarts er op 11 juni 2009 op wijst dat het oordeel van Oppedijk is gevormd naar aanleiding van een door de verzekerde ingevulde vragenlijst, terwijl onbetwist vaststaat dat daarbij geen zogenoemde maligneringtest van appellant is afgenomen, om te checken of hij niet (on)bewust overdrijft. Aan de vermelde brief van Oppedijk kan dan ook niet die waarde worden gehecht die appellant daaraan toegekend wil zien.
3.1.5. Uit de in hoger beroep overgelegde informatie van 28 maart 2008 van de maag-, darm- en leverarts H.J. Wolters blijkt evenmin dat het Uwv de bij appellant aangenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat.
3.1.6. In het in 3.1.2 tot en met 3.1.5 overwogene ligt besloten dat de Raad van oordeel is dat het medisch onderzoek dat aan de onderhavige besluitvorming ten grondslag ligt volledig is geweest. De beroepsgrond dat het Uwv een externe medische deskundige had moeten raadplegen slaagt dan ook evenmin.
3.1.7. Op grond van hetgeen is overwogen in 3.1.2 tot en met 3.1.6 is de Raad tot slot met de rechtbank van oordeel dat belasting van de geselecteerde functies die dienen ter bepaling van de verdiencapaciteit van appellant in medisch opzicht geschikt voor hem zijn.
3.1.8. Aangevallen uitspraak 1 komt dus voor bevestiging in aanmerking.
08/3922 ZW
3.2.1. Appellant heeft voor zijn gronden in hoger beroep in deze zaak in de eerste plaats verwezen naar hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Die gronden komen hier op neer dat het Uwv appellant, gezien zijn gezondheidstoestand, ten onrechte met ingang van 8 juni 2007 geschikt heeft geacht voor het verrichten van zijn arbeid.
3.2.2. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, terecht overwogen dat onder "zijn arbeid" in artikel 19 vanPro de ZW wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer betrokkene na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van appellants aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Nu deze concretisering in het kader van de Wet WIA betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor appellant geschikt is geacht, dient onder "zijn arbeid" in de zin van artikel 19 vanPro de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat appellant voor de toepassing van de ZW uitsluitend ongeschikt is voor "zijn arbeid", als hij voor alle geduide functies ongeschikt wordt geacht.
3.2.3. Bestreden besluit 2 kon de toetsing van de rechtbank doorstaan omdat het Uwv terecht uitgegaan was van de in 3.1.7 bedoelde functies.
3.2.4. Nu volgens hetgeen de Raad heeft overwogen in 3.1.8 aangevallen uitspraak 1 zal worden bevestigd, staat vast dat in ieder geval de geduide functies van telefonist/receptionist, wikkelaar/samensteller van elektronische apparatuur en elektronicamonteur, voor appellant terecht geschikt zijn geacht. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat aan bestreden besluit 2 een deugdelijk verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag ligt. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank daarover.
3.2.5. In hoger beroep heeft appellant de juistheid aangevochten van dat verzekeringsgeneeskundig oordeel onder verwijzing naar de in 3.1.4 en 3.1.5 vermelde brieven van psychiater Oppedijk en van de maag-, darm- en leverarts Wolters. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat, zoals blijkt uit rapporten van 10 juli 2008 en 27 januari 2009 van zijn bezwaarverzekeringsarts Miedema, die grond voor onjuist moet worden gehouden. De Raad kan het Uwv hierin volgen. Daartoe verwijst hij naar het in 3.1.4 en 3.1.5 overwogene.
3.2.6. Hetgeen de Raad heeft overwogen in 3.2.2 tot en met 3.2.4 leidt ertoe dat aangevallen uitspraak 2 voor zover betrekking hebbend op de in geding zijnde toepassing van de ZW, voor bevestiging in aanmerking komt.
08/3924 WIA
3.3.1. Appellant heeft voor zijn gronden in hoger beroep in deze zaak in eerste plaats verwezen naar hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Appellant betoogt samengevat dat het Uwv miskent dat hij zich per 12 april 2007 genoodzaakt zag zich wegens cardiale en psychische klachten ziek te melden, nadat hij zijn werk op 9 december 2004 wegens diezelfde klachten heeft moeten staken. Het gaat hierbij volgens appellant dus wel degelijk om een arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit de oorzaak die al op 7 december 2006 bestond. Vervolgens heeft appellant aangevoerd dat in het bijzonder zijn psychische klachten per 12 april 2006 toegenomen.
3.3.2. De rechtbank heeft terecht beoordeeld of na het einde van de zogenoemde wachttijd op 7 december 2006 de bij appellant vastgestelde cardiale en psychische klachten zijn toegenomen en als gevolg daarvan ook appellants arbeidsongeschiktheid is toegenomen. Onder verwijzing naar de aan bestreden besluit 3 ten grondslag liggende stukken van medische en verzekeringsgeneeskundige aard, in het bijzonder het rapport van
27 augustus 2007 van de bezwaarverzekeringsarts Miedema, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat appellant op de datum die in deze zaak van belang is meer beperkingen ondervond dan die waarvan het Uwv is uitgegaan. Zij twijfelt op grond van de beschikbare medische informatie niet aan het standpunt van het Uwv, dat appellant niet toegenomen arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak zoals die bestond gedurende de wachttijd, dan wel van een nieuwe ziekteoorzaak die binnen vier weken na afloop van de wachttijd is ontstaan. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank daarover.
3.3.3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid aangevochten van het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop bestreden besluit 3 rust, onder verwijzing naar de in 3.1.3 en 3.1.5 vermelde brieven van psychiater Oppedijk en van de maag-, darm- en leverarts Wolters. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat, zoals blijkt uit de rapporten van 10 juli 2008 en 27 januari 2009 van de bezwaarverzekeringsarts Miedema, die grond voor onjuist moet worden gehouden. De Raad kan het Uwv hierin volgen. Daartoe verwijst hij naar het in 3.1.4 en 3.1.5 overwogene.
3.3.4. Hetgeen is overwogen in 3.3.1 tot en met 3.3.3 leidt ertoe dat aangevallen uitspraak 2, in zoverre betrekking hebbend op de toepassing van de Wet WIA, eveneens voor bevestiging in aanmerking komt.
4. Er is geen aanleiding om een der partijen te veroordelen tot betaling van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.