ECLI:NL:CRVB:2010:BM5143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW wegens onvoldoende bewijs van verzekeringsperiode in Nederland
Appellant verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toe te kennen. Hij stelde dat hij tussen 1969 en 1975 in Nederland werkzaam was geweest bij een steenfabriek. De Svb weigerde de AOW toe te kennen omdat appellant niet verzekerd was geweest voor de AOW, en handhaafde dit besluit na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat uit onderzoek bleek dat appellant niet was ingeschreven in relevante registers en dat de genoemde steenfabriek niet meer bestond. Tevens was appellant niet bekend bij het bedrijfspensioenfonds voor de baksteenindustrie, waardoor niet aannemelijk was dat hij in Nederland had gewoond of gewerkt.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling, maar kon hij deze niet met stukken onderbouwen. De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij verzekerd was geweest voor de AOW. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van AOW-toekenning wegens onvoldoende bewijs van verzekeringsperiode in Nederland.