ECLI:NL:CRVB:2010:BM5143

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6466 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbAlgemene Ouderdomswet
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering AOW wegens onvoldoende bewijs van verzekeringsperiode in Nederland

Appellant verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toe te kennen. Hij stelde dat hij tussen 1969 en 1975 in Nederland werkzaam was geweest bij een steenfabriek. De Svb weigerde de AOW toe te kennen omdat appellant niet verzekerd was geweest voor de AOW, en handhaafde dit besluit na bezwaar.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat uit onderzoek bleek dat appellant niet was ingeschreven in relevante registers en dat de genoemde steenfabriek niet meer bestond. Tevens was appellant niet bekend bij het bedrijfspensioenfonds voor de baksteenindustrie, waardoor niet aannemelijk was dat hij in Nederland had gewoond of gewerkt.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling, maar kon hij deze niet met stukken onderbouwen. De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij verzekerd was geweest voor de AOW. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van AOW-toekenning wegens onvoldoende bewijs van verzekeringsperiode in Nederland.

Uitspraak

08/6466 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2008, 08/773 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 12 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2010. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op 27 december 2006 heeft appellant zich tot de Svb gewend met het verzoek hem een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toe te kennen. Appellant heeft daarbij aangegeven van 1969 tot 1975 te hebben gewerkt bij steenfabriek Decornoit en Hoklem (lees: De Koornwaard in Heukelem).
1.2. Bij besluit van 30 juli 2007 heeft de Svb appellant een ouderdomspensioen op grond van de AOW geweigerd op de grond dat appellant niet verzekerd is geweest voor deze wet. Bij het bestreden besluit van 22 januari 2008 heeft de Svb zijn besluit van 30 juli 2007 ongegrond gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat blijkens navraag van de Svb appellant niet is opgenomen in het Schakelregister en evenmin ingeschreven is geweest bij de gemeente Leerdam. Voorts is uit onderzoek van de Svb gebleken dat de door appellant genoemde steenfabriek niet meer bestaat en dat appellant niet bekend is bij de Stichting bedrijfspensioenfonds voor de baksteenindustrie. De rechtbank heeft hieraan – evenals de Svb – de conclusie verbonden dat niet aannemelijk is dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij in Nederland werkzaam is geweest.
4.1. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne. Ook de Raad is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW. Appellant heeft zijn stelling dat hij in Nederland werkzaam is geweest, niet met stukken kunnen onderbouwen. De Svb heeft op zorgvuldige wijze onderzocht of aanwijzingen zijn te vinden die appellants stelling steunen. Dit onderzoek heeft evenwel niet tot resultaat geleid.
4.2. Het onder 4.1 overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) W. Altenaar.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.
TM
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale);
statue:
confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par M.M. van der Kade en présence W. Altenaar en qualité de
greffier, ainsi que prononcée en public, le 12 Mai 2010.
Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas : Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.