ECLI:NL:CRVB:2010:BM5167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- B.W.N. de Waard
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellant vroeg een uitkering op grond van de Wet WIA aan, nadat hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt was verklaard. Het UWV besloot dat appellant vanaf 7 mei 2007 geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapportages.
De rechtbank vernietigde het eerste besluit van het UWV wegens een onvolledig arbeidskundig onderzoek, maar gaf geen oordeel over het latere besluit. In hoger beroep stelde appellant dat ook het tweede besluit onjuist was, onder meer omdat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was.
De Raad oordeelde dat het tweede besluit berust op een onjuiste arbeidskundige grondslag omdat bij aanvang van de verzekering niet ten minste drie functies waren geselecteerd. Desondanks concludeerde de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant in staat was bepaalde functies te vervullen en daarmee een inkomen kon verdienen. Daarom blijven de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.