ECLI:NL:CRVB:2010:BM5495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken medische grondslag
Appellante, voormalig administratief medewerkster, ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na een auto-ongeval in 1983. Na een herbeoordeling door het UWV werd de uitkering ingetrokken per 22 augustus 2006, omdat medisch onderzoek geen psychiatrische stoornis of persoonlijkheidsstoornis vaststelde en geen objectieve beperkingen in het functioneren werden gevonden.
De bezwaarverzekeringsarts en een onafhankelijke psychiater concludeerden dat appellante in staat was gangbare arbeid te verrichten. Hoewel appellante cognitieve klachten en angsten aanvoerde, werden deze toegeschreven aan deconditionering en niet als zodanig ernstig beoordeeld dat beperkingen noodzakelijk waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ondanks dat de eerste arts niet geregistreerd was als verzekeringsarts, omdat dit gebrek in bezwaar was hersteld. De Raad vond geen aanleiding om de conclusies over het ontbreken van psychiatrische stoornissen te verwerpen en achtte de schatting van het arbeidsvermogen door het UWV adequaat. Daarmee was er geen grond voor het voortzetten van de WAO-uitkering.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens het ontbreken van een medische grondslag voor arbeidsongeschiktheid.