ECLI:NL:CRVB:2010:BM5934

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3937 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde aanvraag WAJONG-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante verzocht het UWV terug te komen op het besluit van 9 januari 2004 waarin geen WAJONG-uitkering werd toegekend omdat zij niet als jonggehandicapte werd aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 11 juni 2008 ongegrond, omdat de nieuwe medische diagnose van hypermobiliteitssyndroom geen nieuw feit opleverde zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de door appellante overgelegde brief van een klinisch geneticus weliswaar een diagnose stelde, maar geen wezenlijk andere gegevens bevatte over haar medische situatie dan bij de eerste aanvraag bekend waren. Het UWV was bevoegd de herhaalde aanvraag af te wijzen en had dit in redelijkheid gedaan.

Het hoger beroep bracht geen nieuwe inzichten en de Raad volgde het oordeel van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om niet terug te komen op de eerdere afwijzing van de WAJONG-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

09/3937 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 juni 2009, 08/643 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 9 januari 2004, waarbij haar geen uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is toegekend omdat zij niet als jonggehandicapte in de zin van de wet kan worden aangemerkt.
1.2. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 22 februari 2008 meegedeeld niet terug te komen van zijn besluit van 9 januari 2004, omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een heroverweging van de destijds genomen beslissing moeten leiden.
Bij besluit van 11 juni 2008 heeft het Uwv het tegen het besluit van 22 februari 2008 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 11 juni 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.2. Vervolgens is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 september 2007, LJN BB3453, tot het oordeel gekomen dat de door appellante overgelegde brief van 22 oktober 2007, waarin door klinisch geneticus Y. Hilhorst-Hofstee, werkzaam bij het Leids Universitair Medisch Centrum de diagnose hypermobiliteitssyndroom of het hypermobiliteits type van het Ehlers Danlos syndroom wordt gesteld en wordt aangegeven dat de klachten van appellante op grond van deze diagnose kunnen worden verklaard, niet kan worden aangemerkt als nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Er is weliswaar een diagnose gesteld, maar er is geen sprake van wezenlijk andere gegevens over de medische situatie van appellante dan die welke bekend waren bij de beoordeling van de eerste aanvraag om uitkering. Uit de nader ingebrachte stukken kan niet worden afgeleid dat de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante ten tijde van belang onjuist zou zijn, aldus de rechtbank.
2.3. Het Uwv was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb de herhaalde aanvraag van appellante af te wijzen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 oktober 2003, LJN AM3202 komt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel dat hij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
3.1. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd is nagenoeg een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
3.2. Het standpunt van appellante dat de rechtbank zich ten onrechte heeft aangesloten bij de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts als neergelegd in zijn rapportage van 9 juni 2008, dat de diagnose die nu genoemd wordt dezelfde ziekte-entiteit is waarvan ook bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling in 2003/2004 is uitgegaan, volgt de Raad niet. Het oordeel van de rechtbank moet zo worden begrepen dat de door appellante overgelegde medische informatie geen nieuw licht werpt op de belastbaarheid van appellante op het tijdstip in geding.
3.3. De overwegingen 3.1 en 3.2. brengen mee dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.
(get.) J. Brand.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
TM