ECLI:NL:CRVB:2010:BM6149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens verval van procesbelang bij WW-uitkering
Appellant had een WW-uitkering aangevraagd die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Na bezwaar handhaafde het UWV het besluit, waarna appellant in beroep ging bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep heeft het UWV het eerdere besluit ingetrokken en vastgesteld dat appellant recht heeft op een WW-uitkering vanaf 18 augustus 2007 tot 17 september 2009. Appellant gaf aan het niet eens te zijn met de einddatum vanwege zijn ziekte vanaf januari 2009.
Het UWV heeft vervolgens een Ziektewet-uitkering toegekend vanaf april 2009, waarmee de WW-uitkering werd beëindigd, en stelde dat voortzetting mogelijk is na herstel. Hierdoor verviel het belang van appellant bij het hoger beroep, waardoor de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verval van procesbelang na intrekking van het eerdere besluit en toekenning van een Ziektewet-uitkering.