ECLI:NL:CRVB:2010:BM6810

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5220 WTS
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering hogere tegemoetkoming schoolkosten voor twee dochters

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de IB-Groep, later overgenomen door de Minister van Onderwijs, om een tegemoetkoming in de schoolkosten toe te kennen voor het schooljaar 2008-2009 voor haar twee dochters. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep ongegrond verklaard, stellende dat de wettelijke bepalingen correct zijn toegepast en dat de financiële en persoonlijke omstandigheden van appellante geen aanleiding geven tot een hogere tegemoetkoming.

In hoger beroep heeft appellante haar eerdere gronden herhaald, zonder nieuwe argumenten aan te dragen die het oordeel van de rechtbank zouden kunnen weerleggen. De Raad onderschrijft de motivering van de rechtbank en stelt vast dat de wettelijke regeling bepaalt dat de tegemoetkoming afhankelijk is van het inkomen en dat de verplichting tot betaling van les- en cursusgeld is vervallen.

De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak terecht is en bevestigt deze. Er worden geen proceskosten aan appellante opgelegd. De uitspraak is gedaan door J. Brand, in aanwezigheid van griffier M.A. van Amerongen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd.

Uitspraak

09/5220 WTS
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 september 2009, 08/2356 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 4 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2010. Appellante is niet verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 10 juli 2008 heeft de Minister – beslissend op bezwaar – gehandhaafd zijn besluit tot toekenning aan appellante van een tegemoetkoming in de schoolkosten voor het schooljaar 2008-2009 voor haar twee dochters.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 10 juli 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe de wettelijke bepalingen die aan de tegemoetkoming in de schoolkosten ten grondslag liggen vermeld, uiteengezet dat de tegemoetkoming in de schoolkosten afhankelijk is van het inkomen van de ouder(s), aangegeven dat de verplichting tot het betalen van les- en cursusgeld is vervallen, zodat ook geen recht op een tegemoetkoming in die kosten bestaat en aangegeven dat het lage inkomen van appellante juist aanleiding is geweest haar een tegemoetkoming in de schoolkosten toe te kennen.
2.2. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de Minister bij het besluit van 10 juli 2008 op juiste wijze de wettelijke bepalingen heeft toegepast en dat de door appellante geschetste financiële problemen, haar uithuiszetting en haar ernstige medische kwalen geen grond bieden een hogere tegemoetkoming toe te kennen.
3.1. In hoger beroep heeft appellante verwezen naar de in beroep aangevoerde gronden. Zij heeft hierbij aangegeven dat zij op de hoogte is van de wettelijk vastgestelde bedragen die worden uitgekeerd aan ouders van kinderen in het voortgezet onderwijs, maar dat zij niettemin meent recht te hebben op een hogere tegemoetkoming.
3.2. De gronden van hoger beroep vormen een herhaling van hetgeen appellante ook reeds in beroep heeft aangevoerd. Appellante heeft op geen enkele wijze aangegeven waarom naar haar opvatting het door de rechtbank over haar gronden gegeven oordeel onjuist is.
3.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in beroep ingediende gronden van appellante op juiste wijze besproken en op juiste wijze gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.
3.4. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen termen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2010.
(get.) J. Brand.
(get.) M.A. van Amerongen.
TM