ECLI:NL:CRVB:2010:BM6810
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering hogere tegemoetkoming schoolkosten voor twee dochters
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de IB-Groep, later overgenomen door de Minister van Onderwijs, om een tegemoetkoming in de schoolkosten toe te kennen voor het schooljaar 2008-2009 voor haar twee dochters. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep ongegrond verklaard, stellende dat de wettelijke bepalingen correct zijn toegepast en dat de financiële en persoonlijke omstandigheden van appellante geen aanleiding geven tot een hogere tegemoetkoming.
In hoger beroep heeft appellante haar eerdere gronden herhaald, zonder nieuwe argumenten aan te dragen die het oordeel van de rechtbank zouden kunnen weerleggen. De Raad onderschrijft de motivering van de rechtbank en stelt vast dat de wettelijke regeling bepaalt dat de tegemoetkoming afhankelijk is van het inkomen en dat de verplichting tot betaling van les- en cursusgeld is vervallen.
De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak terecht is en bevestigt deze. Er worden geen proceskosten aan appellante opgelegd. De uitspraak is gedaan door J. Brand, in aanwezigheid van griffier M.A. van Amerongen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd.