ECLI:NL:CRVB:2010:BM6813
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- M. Greebe
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over terugvordering WAO-uitkering wegens niet opgegeven arbeid
Appellant had een WAO-uitkering ontvangen die het UWV later met terugwerkende kracht wilde verlagen en terugvorderen wegens niet opgegeven werkzaamheden bij een cateringbedrijf. Het UWV schatte de omvang van de werkzaamheden op basis van veronderstellingen over het aantal uren en de duur van vakanties van de werkgever, waarbij werd aangenomen dat appellant betaald zou zijn tegen het minimumloon.
Appellant stelde dat hij geen betaalde arbeid had verricht, maar slechts een vriendendienst en dat de uitkering niet met terugwerkende kracht mocht worden aangepast. De Raad oordeelde dat de werkzaamheden wel op geld waardeerbaar waren en dat het UWV een schatting mocht maken vanwege het ontbreken van een administratie en mededelingsplicht van appellant.
Echter concludeerde de Raad dat het UWV onvoldoende onderbouwing had voor de gehanteerde schatting van het aantal uren, met name dat appellant niet gedurende 12 weken per jaar 19 uur per week had gewerkt. De Raad stelde vast dat de vakanties van de werkgever korter waren en dat appellant minder vaak en minder uren had gewerkt dan het UWV aannam.
Daarom vernietigde de Raad het besluit en de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het UWV opnieuw moet beslissen op het bezwaar met inachtneming van de bevindingen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV moet opnieuw beslissen over de terugvordering van de WAO-uitkering met een aangepaste schatting van de werkzaamheden.