ECLI:NL:CRVB:2010:BM7019
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toekenning WAO-uitkering en juistheid medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, voormalig administratief medewerker bij de Belastingdienst, viel uit op 9 januari 2002 en kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering toegekend per 8 januari 2003 met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80%. Na bezwaar en herziening werd dit percentage verlaagd naar 35 tot 45%, wat leidde tot beroep bij de rechtbank en later hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling van het Uwv zorgvuldig was, maar dat de arbeidskundige onderbouwing onvoldoende was. In hoger beroep stelde appellant dat zijn klachten aan voeten, gehoor, visus en rechterarm hem belemmerden om de voorgehouden functies uit te oefenen. Na benoeming van een onafhankelijke psychiater en een nieuw besluit op bezwaar door het Uwv, werd appellant alsnog een volledige WAO-uitkering toegekend per 22 februari 2005.
De Raad oordeelde dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep voor de herziening per 22 februari 2005 vanwege het nieuwe besluit. Voor de toekenning per 8 januari 2003 bevestigde de Raad de juistheid van de medische beoordeling en de geschiktheid van de vier voorgehouden functies, waarmee het hoger beroep werd verworpen. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling bij WAO-uitkeringen en benadrukt het belang van procesbelang bij hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt bevestigd voor de toekenning per 8 januari 2003 en niet-ontvankelijk verklaard voor de herziening per 22 februari 2005.