ECLI:NL:CRVB:2010:BM7028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken gezamenlijk huishouden en onvoldoende onderhoud
Appellant, van Iraakse origine en sinds 1995 in Nederland woonachtig, verzocht kinderbijslag voor zijn kinderen die in Polen verblijven bij zijn echtgenote. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde dit omdat appellant niet voldeed aan de eis van het vormen van één huishouden met zijn gezin gedurende ten minste drie maanden per jaar en onvoldoende aantoonde dat hij zijn kinderen in belangrijke mate onderhoudt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Appellant stelde dat hij ongeveer 13 weken bij zijn gezin verbleef, maar maakte dit niet aannemelijk. Ook zijn bijstandsuitkering en de regelgeving omtrent verblijf buiten Nederland wezen op het ontbreken van een gezamenlijk huishouden.
De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank dat appellant onvoldoende bewijs leverde van het onderhouden van zijn kinderen. Er werd geen aanleiding gezien om het beleid van de Svb over het begrip huishouden onjuist te achten. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van kinderbijslag wordt bevestigd.