AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geen recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek door UWV
Appellante, die voorheen als kantinemedewerkster werkte en sinds 1993 een WAO-uitkering ontving, meldde zich in 2007 ziek vanwege rugklachten. Na medisch onderzoek door de arts van het UWV werd zij hersteld verklaard en werd haar ziekengeld ingetrokken per 18 december 2007. In bezwaar en beroep werd het oordeel van het UWV bevestigd, waarbij de rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
De Raad benadrukte dat het recht op ziekengeld afhankelijk is van ongeschiktheid voor de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, maar dat als de verzekerde geschikt is voor gangbare arbeid, deze als maatstaf geldt. Appellante bracht geen nieuwe medische informatie in hoger beroep, ondanks toezeggingen, waardoor het standpunt van het UWV ongewijzigd bleef.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht oordeelde dat appellante geschikt is voor passende functies en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak dat zij geen recht heeft op ziekengeld. Er was geen aanleiding om toepassing te geven aan bijzondere bestuursrechtelijke bepalingen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het ziekengeld wordt bevestigd.
Uitspraak
08/5729 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 september 2008, 08/2884 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, voorheen werkzaam als kantinemedewerkster voor 40 uur per week heeft vanaf 26 februari 1993 uitkering ontvangen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Per 28 december 2004 is de uitkering ingetrokken vanwege geschiktheid voor passende functies. Aansluitend heeft appellante uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Op 3 juni 2007 heeft appellante zich ziek gemeld in verband met toegenomen rugklachten. Na een medisch onderzoek door de primaire arts R.P. van Straaten op 17 december 2007, waarbij informatie van de behandelende sector is meegewogen, is appellante hersteld verklaard.
1.2. Bij besluit van 17 december 2007 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij op en na 18 december 2007 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid en daarom met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.3. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal na medisch onderzoek op 13 februari 2008 en na kennis genomen te hebben van een brief van de revalidatiearts C. van As van 28 februari 2008 het oordeel van de verzekeringsarts onderschreven. Bij besluit van 26 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat namens appellante geen nadere medische informatie in geding is gebracht op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het Uwv de ernst van de klachten heeft onderschat en is inzending van nadere specialistische informatie in het vooruitzicht gesteld.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
4.3. Naar de Raad bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk maar geschikt is bevonden voor gangbare arbeid, zoals geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak op uitkering ingevolge de WAO, als maatstaf voor ‘zijn arbeid’ elk van deze functies afzonderlijk heeft te gelden.
4.4. Dit betekent dat de Raad zich gesteld ziet voor de vraag of het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellante op en na 18 december 2007 in staat kan worden geacht ten minste een van de aan de WAO-beoordeling per 28 december 2004 ten grondslag gelegde functies te verrichten. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
4.5. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat het medisch onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. Deze artsen hebben zich een beeld kunnen vormen van de medische situatie van appellante door eigen onderzoek en hebben informatie van de behandelende sector bij de beoordeling betrokken. De Raad stelt vast dat appellante, ondanks de aankondiging daartoe, in hoger beroep geen nieuwe medische informatie in geding heeft gebracht. De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van het Uwv onjuist te achten.
5. Hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.5 leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.