ECLI:NL:CRVB:2010:BM7210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na herstel van arbeidsongeschiktheid museumconservator
Appellante was tot eind 2005 werkzaam als museumconservator en meldde zich in februari 2007 ziek met klachten aan de luchtwegen en vermoeidheid. Zij ontving ziekengeld in afwachting van neurologisch onderzoek. Na meerdere medische beoordelingen besloot het UWV per 10 september 2007 het recht op ziekengeld te beëindigen omdat appellante niet langer ongeschikt werd geacht voor haar eigen werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd overwogen dat er geen aanwijzingen waren dat het UWV een onjuiste functie-inhoud had gehanteerd of dat appellante ongeschikt was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten haar verhinderen haar werk volledig te verrichten, maar leverde geen nieuwe medische gegevens aan.
De Raad overwoog dat het recht op ziekengeld afhankelijk is van objectief medisch vastgestelde ongeschiktheid voor het laatstelijk verrichte werk. De bezwaarverzekeringsarts vond geen medische basis voor de stelling dat appellante haar gezondheid zou schaden bij het verrichten van haar eigen lichte functie. Daarom bevestigde de Raad het oordeel van de rechtbank en het UWV-besluit dat het recht op ziekengeld is vervallen.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellante is per 10 september 2007 definitief beëindigd omdat zij niet langer ongeschikt is voor haar eigen functie.