ECLI:NL:CRVB:2010:BM7285

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-493 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945belastingverdrag Nederland-Polenbelastingverdrag Nederland-Duitsland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen berekeningsbeschikking Wubo inzake loonheffing bij verblijf in Duitsland

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer op grond van psychische invaliditeit, ontving een periodieke uitkering volgens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Hij maakte bezwaar tegen een berekeningsbeschikking waarin werd vastgesteld dat op zijn uitkering vanaf 1 januari 2008 geen loonheffing werd ingehouden. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard omdat appellant volgens het bestuursorgaan niet in Nederland maar in Polen woonachtig was, en het belastingverdrag met Polen de heffing aan dat land toewijst.

In beroep stelde appellant dat hij niet in Polen, maar in Duitsland was gevestigd, wat werd ondersteund door een inschrijvingsbewijs van de stad Emmerich vanaf 2001. De Raad onderzocht de vraag of het besluit stand kon houden en concludeerde dat Nederland ook met Duitsland een belastingverdrag heeft waarbij de heffing aan het andere land is toegewezen. Aangezien appellant langdurig in Duitsland woont, is het terecht dat geen loonheffing in Nederland is ingehouden.

De klacht over belastingheffing op een nabetaling uit 1998 werd buiten beschouwing gelaten omdat de berekeningsbeschikking van 31 maart 2008 daarop geen betrekking had. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit dat geen loonheffing wordt ingehouden op de periodieke Wubo-uitkering is ongegrond verklaard.

Uitspraak

09/493 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 20 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 30 december 2008, kenmerk BZ 8591, JZ/C/80/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2008. Appellant is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. In 1997 is appellant, geboren in 1940, op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Als zodanig is hem, onder meer, ingaande 1 december 1995 een periodieke uitkering toegekend, berekend naar de ingevolge de Wubo geldende maximum grondslag.
1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een berekeningsbeschikking van 31 maart 2008 over zijn maandelijkse uitkering vanaf 1 januari 2008 omdat op die uitkering geen loonheffing is ingehouden. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Overwogen is dat appellant al geruime tijd niet meer in Nederland maar in Polen woonachtig is en dat in het met Polen gesloten belastingverdrag de belastingheffing aan dat land is toegewezen.
1.3. In beroep heeft appellant aangegeven, kort samengevat, dat hij ten tijde van belang wel gedurende enige perioden in Polen heeft verbleven maar niet in dit land maar in Duitsland was gevestigd. Verder heeft appellant nog geklaagd over de belastingheffing op de in 1998 ontvangen nabetaling van zijn periodieke uitkering.
2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Die vraag beantwoordt de Raad op de volgende gronden bevestigend.
2.1. Naar uit de gedingstukken blijkt is door Nederland niet alleen met Polen maar ook met Duitsland een belastingverdrag afgesloten, waarbij de belastingheffing aan het andere land is toegewezen. Nu appellant naar eigen zeggen reeds zeer geruime tijd in Duitsland is gevestigd - ook bevestigd door een inschrijvingsbewijs van de stad Emmerich waaruit vestiging blijkt vanaf 2001 - staat hiermee vast dat op de periodieke uitkering van appellant terecht geen loonheffing is ingehouden. Hetgeen appellant nog heeft aangevoerd over de belastingheffing op zijn in 1998 nabetaalde uitkering moet buiten beschouwing blijven omdat de berekeningsbeschikking van 31 maart 2008 daarop geen betrekking heeft.
3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. Lammerse.
HD