ECLI:NL:CRVB:2010:BM8230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen van onherroepelijk besluit over WW-dagloon
Appellant, werkzaam als schilder, kreeg op 13 februari 2007 een WW-uitkering toegekend met een dagloon van €112,40. Hij betwistte later de hoogte van dit dagloon, stellende dat de volledige waarde van vakantiebonnen niet was meegenomen en dat hij in bepaalde periodes minder loon ontving door het opnemen van vrije dagen. Het UWV weigerde het besluit te herzien en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Leeuwarden oordeelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om terug te komen op het besluit. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank, verwijzend naar eerdere uitspraken en het ontbreken van nieuwe feiten die een herziening rechtvaardigen.
De Raad benadrukte dat appellant de mogelijkheid had om eerder bezwaar te maken tegen het dagloon, maar dit niet had gedaan. Voor de periode vanaf het verzoek van 27 juni 2007 was het UWV volgens de Raad terecht uitgegaan van een juiste vaststelling van het dagloon. Het hoger beroep werd afgewezen en de proceskosten werden niet aan appellant opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht niet is teruggekomen van het besluit over het WW-dagloon.