ECLI:NL:CRVB:2010:BM8875

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-966 WW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep tegen UWV-besluit

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Assen en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de zitting op 25 februari 2010 werd besloten de behandeling van het verzoek aan te houden vanwege de complexiteit van de zaak en het ontbreken van vertegenwoordiging van de minister van Justitie.

Het hoger beroep is vervolgens op 29 april 2010 door een meervoudige kamer behandeld. Bij uitspraak van 10 juni 2010 bevestigde de Raad de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Gezien de inhoud van die uitspraak en de overwegingen daarin, zag de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter H.G. Rottier in aanwezigheid van griffier M. Lammerse.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het hoger beroep bevestigd de eerdere uitspraak.

Uitspraak

10/966 WW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
UITSPRAAK
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
in verband met het hoger beroep van:
verzoekster
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 10 december 2009, 09/129 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoekster
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Met tevens als partij: de Minister van Justitie.
Datum uitspraak: 10 juni 2010.
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2010. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.J. van Gastel. De minister van Justitie heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Ter zitting is, met instemming van de aanwezige partijen, gelet op de complexiteit van de zaak en het feit dat de minister van Justitie zich niet heeft laten vertegenwoordigen, besloten de behandeling van het verzoek aan te houden. Het hoger beroep van verzoekster is op de zitting van 29 april 2010 door een meervoudige kamer behandeld. Bij uitspraak van heden heeft de Raad de aangevallen uitspraak bevestigd. Gelet op hetgeen in die uitspraak is vastgesteld en overwogen bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen.
Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van verzoekster op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2010.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) M. Lammerse.
BvW