[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 mei 2008, 2007/821 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 juni 2010
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Appellant is, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.S.M. van Haaften.
1.1. Appellant is op 12 januari 2005 vanwege rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als medewerker interne dienst voor 40 uur per week.
1.2. Op de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 22 december 2006 afwijzend beslist, omdat appellant per 7 januari 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met zijn medische beperkingen, vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden in passende functies. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 2 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft, kort samengevat, de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn medicijngebruik en pijnbeleving. Hij acht zich meer beperkt dan in de FML is vastgelegd. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een inlichtingen van zijn huisarts overgelegd, waaronder een verslag van een radiologisch onderzoek van 21 januari 2008.
3.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 2 juli 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 juli 2008.
4. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.
4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geschied en dat in het rapport van de verzekeringsarts van 5 december 2006 en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 13 maart 2007 overtuigend is gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML zijn neergelegd. Bij appellant is sprake van chronische aspecifieke rugklachten, die leiden tot beperkingen ten aanzien van statische rugbelasting, met name voor lang staan, lang zitten (auto rijden), zware rugbelasting bij tillen en lopen. Daarbij is rekening gehouden met de omtrent appellant beschikbare medische informatie, waaronder ook diens medicijngebruik. De Raad merkt daarbij op dat uit de genoemde rapporten ook naar voren komt, dat bij appellant sprake is pijngedrag, waarbij de verminderde beweeglijkheid niet in die mate aan een te objectiveren afwijking valt toe te schrijven, zodat appellant meer mogelijkheden heeft dan hijzelf ervaart. Ook de in hoger beroep door appellant ingediende informatie leidt de Raad niet tot een ander oordeel. In zijn rapport van 2 juli 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts toereikend onderbouwd dat deze inlichtingen geen nieuwe gezichtspunten met betrekking tot de datum in geding (7 januari 2007) opleveren.
4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen de hiervoor in 3.2 genoemde rapporten. Gelet op de verdiensten in die functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA per 7 januari 2007 door het Uwv terecht gesteld op minder dan 35%.
5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010.
(get.) T.J. van der Torn.