ECLI:NL:CRVB:2010:BM9425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R.H.M. Roelofs
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag wegens vermogen gebonden in woning
Appellante had een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag over de jaren 2004, 2005 en 2006. Het Dagelijks Bestuur stelde vast dat de overwaarde van haar woning in die jaren aanzienlijk hoger was dan de vrijgestelde bedragen volgens de WWB. Op grond hiervan werd de aanvraag afgewezen en een eerder toegekende toeslag over 2005 werd als onterecht bestempeld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij vanwege een laag inkomen niet meer kon lenen om het vermogen in haar woning aan te spreken. De Raad oordeelde echter dat dit niet met bewijs was onderbouwd en dat appellante redelijkerwijs kon beschikken over het vermogen in haar woning.
Verder werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan door het Dagelijks Bestuur. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag is terecht afgewezen omdat appellante redelijkerwijs kon beschikken over het vermogen gebonden in haar woning dat de vrijstellingsgrens overschreed.