ECLI:NL:CRVB:2010:BM9742

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5236 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffer
  • J. Th. Wolleswinkel
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbBezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ambtenaar tot bevordering salarisschaal wegens langdurige ziekte

Appellant, een ambtenaar bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat, verzocht om bevordering naar salarisschaal 8. Hij was sinds 1 oktober 1998 in dienst en had verschillende functies bekleed met verschillende salarisschalen. Door een reorganisatie werd hij per 1 juni 2006 geplaatst in een functie gewaardeerd op salarisschaal 8, maar hij bleef ingeschaald in salarisschaal 7.

Appellant vroeg op 23 juni 2007 om bevordering naar salarisschaal 8, maar dit verzoek werd door de minister afgewezen en na bezwaar gehandhaafd. De Raad oordeelde dat appellant door langdurige ziekte sinds 9 mei 2006 niet had kunnen aantonen dat hij zijn functie naar behoren kon uitoefenen, wat een voorwaarde was voor de salarisindeling.

Verder stelde de Raad vast dat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit van 30 mei 2006 en dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die rechtvaardigden dat de minister van dat besluit terugkwam. Ook was er geen sprake van strijd met rechtsregels of algemene rechtsbeginselen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek tot bevordering naar salarisschaal 8 wordt afgewezen vanwege onvoldoende aantonen van functieuitoefening door langdurige ziekte.

Uitspraak

08/5236 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 juli 2008, 08/1000 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister)
Datum uitspraak: 17 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.A.M. van der Zandt, werkzaam bij ABVAKABO FNV. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Jurkovich, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is sinds 1 oktober 1998 in dienst van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Met ingang van 1 juni 2001 werd hij benoemd in de functie van medewerker Onderhoud en Verbetering, welke functie was gewaardeerd op het niveau van salarisschaal 7 volgens het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA). Per 1 april 2003 werd appellant benoemd in de functie van medewerker Electro, welke functie was gewaardeerd op salarisschaal 8. Appellant behield echter het salaris volgens salarisschaal 6, tot oktober 2005 toen hij bevorderd werd naar salarisschaal 7.
1.2. In het kader van een reorganisatie is appellant bij brief van 30 maart 2006 het voornemen bekend gemaakt dat hij met ingang van 1 juni 2006 wordt geplaatst in de functie medewerker Onderhoud PBO (Electro), een functie gewaardeerd op salarisschaal 8 van het BBRA, maar dat hij vooralsnog ingeschaald bleef in salarisschaal 7. Bij besluit van 30 mei 2006 is dit voornemen verwezenlijkt. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.3. In een brief van 23 juni 2007 heeft appellant verzocht in zijn functie te worden bevorderd naar salarisschaal 8 van het BBRA. Dit verzoek heeft de minister afgewezen bij besluit van 2 juli 2007, welk besluit hij na bezwaar heeft gehandhaafd bij het bestreden besluit van 10 januari 2008.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog hiertoe, samengevat, dat het verzoek om bevordering bij de brief van 23 juni 2007 betrekking heeft op bevordering met ingang van die datum en dat, nu appellant sinds november 2005 maar enkele dagen heeft gewerkt en verder ziek is geweest, hij niet heeft kunnen aantonen met ingang van 23 juni 2006 voor bevordering in aanmerking te komen.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. Gezien de tekst van de brief van 23 juni 2007, waarin onder andere is aangegeven dat appellant in 2006 schriftelijk is bevestigd dat hij zou overgaan naar salarisschaal 8 en dat dit nog steeds niet heeft plaatsgevonden, heeft deze brief de strekking van een verzoek aan de minister terug te komen van het besluit van 30 mei 2006, de inschaling betreffende. Ook ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van appellant zich blijkens het proces-verbaal in die zin uitgelaten, wat hij ter zitting van de Raad heeft bevestigd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak deze strekking van het verzoek van appellant niet onderkend. De Raad zal de aangevallen uitspraak echter om deze reden niet vernietigen.
3.2. Onder 1.2 is vastgesteld dat appellant tegen het besluit van 30 mei 2006 geen bezwaar heeft gemaakt. Appellant heeft gesteld dit te hebben nagelaten omdat een leidinggevende tegen hem had gezegd dat “het goed zal komen” en dat hij daarop heeft vertrouwd. Dit is niet schriftelijk vastgelegd.
Volgens vaste rechtspraak (CRvB 7 maart 2007, LJN BA1791 en TAR 2007, 141) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen heeft gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardige verwachtingen hebben gewekt.
Reeds nu de hier bedoelde leidinggevende van appellant niet bevoegd was over de salarisindeling van appellant te beslissen, kan appellant niet op het vertrouwensbeginsel een beroep doen om het nalaten van het maken van bezwaar tegen het besluit van 30 mei 2006 gerechtvaardigd te kunnen achten.
Nu appellant tegen het besluit van 30 mei 2006 geen bezwaar heeft gemaakt, is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden.
3.3. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden, besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijk besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit handhaaft, kan een ter zake ingesteld beroep echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen.
In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het voorts aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250 en TAR 2001, 43). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Daarom zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst minder van belang dan voor het verleden.
3.4. De Raad is van oordeel dat de minister, wat betreft het tijdvak na de indiening van het verzoek, bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing is kunnen komen. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de minister zeker niet ten onrechte heeft laten wegen dat appellant wegens langdurige ziekte (sinds 9 mei 2006) niet heeft kunnen aantonen dat hij de functie waarin hij met ingang van 1 juni 2006 was geplaatst, naar behoren kan uitoefenen. Dit was immers de voorwaarde die met de gehandhaafde salarisindeling van appellant gepaard ging.
3.5. Hetgeen in rechtsoverweging 3.4 is vastgesteld betekent tevens dat niet valt in te zien dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan de minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van het oorspronkelijke besluit terug te komen wat betreft het tijdvak voorafgaande aan de aanvraag.
3.6. Ook voor het overige heeft de Raad in hetgeen is aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
4. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet - met verbetering van de motivering - worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffer als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2010.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) B. Bekkers.
HD