ECLI:NL:CRVB:2010:BM9915
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over geschiktheid functies en arbeidsongeschiktheid bij weigering WAZ-uitkering
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar per 31 december 2002 geen WAZ-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het besluit op een deugdelijke medische grondslag rustte. Appellante stelde in hoger beroep dat haar psychische gesteldheid en vermoeidheidsklachten onvoldoende waren meegewogen.
De Raad schakelde deskundigen in, waaronder psychiater Groot en prof. dr. Koerselman, die concludeerden dat appellante lijdt aan een chronische depressieve stoornis en andere psychische aandoeningen, en dat zij niet volledig geschikt is voor de aan haar toegewezen functies. Koerselman adviseerde een maximale werktijd van zes uren per dag met twee uren rust.
De Raad volgde de deskundigen en oordeelde dat het UWV het besluit moest herstellen met inachtneming van deze beperkingen. Het UWV moet de FML aanpassen en geschikte functies selecteren, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 december 2002 opnieuw wordt vastgesteld. De uitspraak is een tussenuitspraak en legt een belangrijke richtlijn vast voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid bij WAZ-uitkeringen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen met inachtneming van beperkingen in werktijd en rusttijden en een nieuwe beoordeling van de arbeidsongeschiktheid.