ECLI:NL:CRVB:2010:BN0616

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1507 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld na beoordeling geschiktheid eigen werk

Appellant was werkzaam als algemeen medewerker aquarium- en vijverbenodigdheden en viel per 28 oktober 2006 uit voor zijn arbeid. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige is vastgesteld dat appellant zijn eigen werk weer kan verrichten. Het UWV besloot daarom het recht op ziekengeld te beëindigen per 26 maart 2008. Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat het UWV een onjuiste functieomschrijving hanteerde en dat zijn beperkingen werden onderschat.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit op procedurele gronden maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Raad stelde vast dat het UWV terecht was uitgegaan van de functieomschrijving van arbeidsdeskundige Wouters en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook informatie van behandelende specialisten was betrokken. De Raad vond de door appellant ingebrachte functieomschrijving niet aannemelijk en merkte op dat appellant niet eerder melding had gemaakt van de zwaardere belasting.

De Raad concludeerde dat appellant op en na 26 maart 2008 in staat was zijn eigen werk te verrichten en dat het recht op ziekengeld terecht was beëindigd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het recht op ziekengeld is terecht beëindigd omdat appellant geschikt is voor zijn eigen werk.

Uitspraak

09/1507 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2009, 08/2393 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.P.H.M. van Lieshout.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is gedurende 20 uur per week als algemeen medewerker aquarium- en vijverbenodigdheden werkzaam geweest in het bedrijf van zijn zoon. Per 28 oktober 2006 is hij uitgevallen voor zijn arbeid. Het dienstverband is geëindigd op 1 december 2006. Nadat arbeidsdeskundige F. Wouters op 28 februari 2008 de inhoud van de functie heeft onderzocht, heeft verzekeringsarts J.W.M. Gielen op 26 maart 2008 een medisch onderzoek verricht, waarbij informatie van de behandelende sector is meegewogen. Vervolgens is appellant hersteld verklaard.
1.2. Bij besluit van 26 maart 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij op en na 26 maart 2008 alsmede over de periode 28 oktober 2006 (bedoeld is: 1 december 2006) tot 26 maart 2008 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en daarom met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.3. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes na een medisch onderzoek op 7 mei 2008 het oordeel van de verzekeringsarts onderschreven. Bij besluit van 27 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. In beroep is namens appellant naast een tweetal procedurele gronden aangevoerd, dat het Uwv van een onjuiste omschrijving van het eigen werk is uitgegaan en is in het beroepschrift een eigen functieomschrijving gegeven. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit op procedurele gronden vernietigd, met instandlating van de rechtsgevolgen. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv van een juiste functieomschrijving is uitgegaan en overweegt voorts dat op basis van de beschikbare gegevens niet gebleken is dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat.
3. In hoger beroep is namens appellant herhaald dat de functiebelasting zwaarder is dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Voorts heeft appellant aanvullende medische informatie in geding gebracht waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
4.3. Naar de Raad bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit betekent dat de Raad zich gesteld ziet voor de vraag of appellant op en na 26 maart 2008 en over de periode 1 december 2006 tot 26 maart 2008 in staat kan worden geacht zijn arbeid van algemeen medewerker aquarium- en vijverbenodigdheden gedurende 20 uur per week te verrichten. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
4.4. Wat betreft de inhoud van de functie stelt de Raad vast dat de in het beroepschrift gegeven omschrijving van het eigen werk aanzienlijk afwijkt van de functieomschrijving waarvan het Uwv is uitgegaan. De Raad is er onvoldoende van overtuigd dat de functie van algemeen medewerker een belasting kent zoals in het beroepschrift is omschreven, omdat die omschrijving specifiek is en fysiek deels zeer belastende aspecten bevat. De Raad acht niet begrijpelijk dat appellant hiervan op geen enkele wijze in een eerder stadium tegenover de arbeidsdeskundige noch tegenover de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv melding heeft gemaakt. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat voor de beoordeling van de geschiktheid voor het eigen werk uitgegaan dient te worden van de functieomschrijving van arbeidsdeskundige Wouters van
28 februari 2008.
4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel, dat het medisch onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. Deze artsen hebben zich een beeld kunnen vormen van de medische situatie van appellant door eigen onderzoek en hebben informatie van de behandelende sector bij de beoordeling betrokken. Het gaat daarbij om informatie van de longarts P.L.J. van Valenberg van 30 januari 2008, de brief van internist M.C.A. Vermeulen van 14 februari 2008 en de brief van cardioloog P. Bendermacher van 4 maart 2008. Mede op basis van die informatie is door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv geoordeeld dat appellant zijn arbeid kon verrichten. Wat betreft de namens appellant ingezonden informatie van psycholoog Th. M. Heddes van 22 maart 2010 overweegt de Raad dat bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes op 7 mei 2010 op het rapport heeft gereageerd en geen aanleiding heeft gezien het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van het Uwv niet te volgen. Daarbij overweegt de Raad dat het Uwv bij de beoordeling van de geschiktheid voor het eigen werk met de moeheidsklachten rekening heeft gehouden. De omstandigheid dat die klachten recent door de psycholoog aan een andere oorzaak zijn toegeschreven betekent naar het oordeel van de Raad niet dat de belastbaarheid van appellant per datum en periode in geding anders was dan waarvan het Uwv is uitgegaan.
5. Hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.5 leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt voor zover aangevochten.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) R.L. Venneman.
JL