ECLI:NL:CRVB:2010:BN1264

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3655 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens overschrijding beroepstermijn bij herziening WW-uitkering

Appellant maakte bezwaar tegen een herzieningsbesluit van het UWV waarbij een bedrag van €19.763,55 werd teruggevorderd op grond van de Werkloosheidswet. Na verschillende besluiten omtrent bezwaar en schorsing van invordering, stelde appellant beroep in tegen het besluit waarbij het bezwaar tegen de schorsing werd gegrond verklaard (besluit I). Pas later, tijdens de zitting bij de rechtbank, gaf appellant aan dat het beroep eigenlijk gericht was tegen het andere besluit (besluit II) waarin het bezwaar tegen de herziening ongegrond werd verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroep niet tijdig was ingesteld tegen besluit II. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en overweegt dat het beroep binnen de beroepstermijn duidelijk moet zijn gericht tegen het juiste besluit. Omdat appellant pas na het verstrijken van de beroepstermijn kenbaar maakte dat het beroep tegen een ander besluit was gericht dan het bij het beroepschrift gevoegde besluit, is het beroep tegen dat andere besluit te laat ingediend.

De Raad wijst het argument van appellant dat de nauwe samenhang tussen de besluiten tot een ander oordeel zou moeten leiden af. Ook is geen sprake van verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De Raad bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring en veroordeelt het UWV niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

09/3655 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 mei 2009, 08/1077 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 juli 2010.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. J.H.J. van Gastel.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 30 mei 2008 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Werkloosheidswet per 5 januari 2004 herzien en is een bedrag van € 19.763,55 van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
1.2. Appellant heeft verzocht de invordering van de € 19.763,55 op te schorten. Bij besluit van 1 augustus 2008 heeft het Uwv dat geweigerd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 27 oktober 2008 (besluit I) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2008 gegrond verklaard.
1.4. Bij besluit van eveneens 27 oktober 2008 (besluit II) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 30 mei 2008 ongegrond verklaard.
2.1. Appellant heeft op 20 november 2008 beroep ingesteld en in dat beroep, dat nog niet de gronden bevatte, aangegeven dat het zich richtte ‘tegen bijgaande beslissing op bezwaar van het Uwv d.d. 27 oktober 2008’. Het bijgevoegde besluit was besluit I. Het in dat beroepschrift vermelde aantal bladzijden van het bestreden besluit kwam overeen met het aantal bladzijden van besluit I.
2.2. Appellant heeft nadien, op 22 december 2008, in de gronden van zijn beroep, niet uitdrukkelijk te kennen gegeven beroep in te hebben willen stellen tegen besluit II. Eerst ter zitting bij de rechtbank heeft appellant aangegeven dat zijn beroep was gericht tegen besluit II, en heeft daarbij de rechtbank verzocht het beroep gericht te achten tegen dat besluit.
2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de rechtbank bij lezing van het bij het beroepschrift gevoegde besluit tot de conclusie had kunnen komen dat het beroep niet dat besluit kon betreffen nu daarin het bezwaar gegrond werd verklaard. Voorts heeft appellant gesteld dat er een zo nauwe samenhang bestaat tussen besluit I en besluit II dat het beroep mede geacht moest worden te zijn gericht tegen besluit II.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Awb bevat het beroepschrift ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht en de gronden van het beroep.
4.2. Wil een beroep binnen de termijn zijn ingesteld, dan moet voor het verstrijken van de termijn duidelijk zijn tegen welk besluit het beroep zich richt. Voor de rechtbank was er geen enkele aanleiding te veronderstellen dat het beroep zich niet richtte tegen het bij het beroepschrift gevoegde besluit I. Eerst ter zitting van de rechtbank heeft appellant uitdrukkelijk gesteld dat zijn beroep niet gericht was tegen besluit I, maar tegen besluit II. Ook uit de gronden die door appellant op 22 december 2008 bij de rechtbank zijn ingediend volgde niet zonder meer dat deze zich richtten tegen een ander besluit dan besluit I, waarbij er nog op wordt gewezen dat deze gronden na de beroepstermijn zijn ingediend. Aangezien derhalve pas na het verstrijken van de beroepstermijn is gebleken dat het beroep van appellant zich richtte tegen een ander besluit dan meegezonden met het beroepschrift, is het beroep tegen dat andere besluit te laat ingediend. De samenhang tussen besluit I en besluit II -wat daar verder ook van zij- kan daar niet aan afdoen. Niet is gebleken dat deze overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is.
4.3. Er is geen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) P. Boer.
RK