ECLI:NL:CRVB:2010:BN1283

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7132 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. II Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van de ZorgverzekeringswetZiekenfondswetAlgemene Wet Bijzondere ZiektekostenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van afwijzing beroep tegen inhoudingen Zvw-premie op WAO-uitkering

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin zijn beroep tegen een besluit van het UWV tot inhouding van premies op zijn WAO-uitkering ongegrond werd verklaard. Het geschil betrof met name de inhoudingen van premies ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) over de periode van november 2004 tot januari 2006.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat op grond van een wetswijziging per 29 mei 2008 het College voor zorgverzekeringen (Cvz) in plaats van het UWV als procespartij moest worden aangemerkt. De Raad sloot zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat de betwiste inhoudingen over de periode vóór 1 januari 2006 niet binnen de omvang van het geding vallen, omdat het bestreden besluit alleen betrekking heeft op inhoudingen vanaf 1 januari 2006.

Verder oordeelde de Raad dat appellant zich in het hoger beroep niet had verzet tegen de inhoudingen vanaf 1 januari 2006 en dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet langer ter discussie stonden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

08/7132 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2008, 08/214 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen
appellant
en
het College voor zorgverzekeringen, gevestigd te Diemen, (hierna: Cvz)
Datum uitspraak: 16 juni 2010.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens heeft de Raad bij brief van 19 augustus 2009 aan Uwv meegedeeld dat op grond van artikel II van de Wet van 29 mei 2008 (Stcrt. 2008, 277) tot wijziging van de Zorgverzekeringswet niet Uwv, maar Cvz als procespartij dient te worden aangemerkt.
Cvz heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2010. Appellant is daarbij - zoals tevoren aangekondigd - niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.R. Maas en mr. K. Siemeling, beiden werkzaam bij Cvz.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Bij brief van 2 november 2004 heeft Uwv appellant geïnformeerd over de gevolgen van de wijziging van het Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko per 1 november 2004. Als gevolg van die wijziging hebben appellant en zijn in Marokko wonende gezinsleden recht gekregen op geneeskundige verzorging in Marokko volgens het in Marokko geldende pakket van verstrekkingen. De kosten daarvan komen ten laste van Nederland en om die reden worden vanaf 1 november 2004 premies ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) ingehouden op de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant.
1.2. Uwv heeft het door appellant tegen deze brief gemaakte bezwaar bij besluit van 9 februari 2005 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 9 februari 2005 heeft appellant geen beroep bij de rechtbank ingesteld.
1.3. Op 16 maart 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de betalingsspecificatie van zijn WAO-uitkering van 23 februari 2006, meer in het bijzonder tegen de inhoudingen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daarbij heeft hij verzocht om restitutie van de - uit dien hoofde - ten onrechte ingehouden bedragen.
1.4. Bij besluit op bezwaar van 2 november 2007 heeft Uwv het bezwaar van 16 maart 2006 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 november 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar van appellant tegen de inhoudingen ingevolge de Zfw en de AWBZ op zijn uitkering over de periode 1 november 2004 tot 1 januari 2006 geen doel treft, omdat het bestreden besluit slechts ziet op de inhoudingen vanaf 1 januari 2006. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant zich over de periode vanaf 1 januari 2006 slechts beklaagt over het uitblijven van de daadwerkelijke toepassing van de zogenaamde woonlandfactor op de reeds toegepaste inhoudingen en de restitutie van de teveel betaalde bijdragen, die volgens Cvz - met terugwerkende kracht over de periode 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 - worden herberekend en gerestitueerd. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant in beroep niet ter discussie heeft gesteld de heffing van de Zvw-bijdragen en de toepassing van de woonlandfactor met terugwerkende kracht per 1 januari 2006.
De rechtbank is ten aanzien van de beroepsgronden tot de slotsom gekomen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet langer in geschil zijn.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat over de periode 1 november 2004 tot 1 januari 2006 door Uwv op zijn WAO-uitkering teveel Zvw-premie is ingehouden en dat die bedragen gerestitueerd dienen te worden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt voorop dat hij op grond van artikel II van de Wet van 29 mei 2008 (Stcrt. 2008, 277) tot wijziging van de Zorgverzekeringswet Cvz in plaats van Uwv als procespartij in hoger beroep aanmerkt.
4.2. De Raad verenigt zich voor wat betreft de beroepsgrond dat over de periode 1 november 2004 tot 1 januari 2006 op zijn WAO-uitkering te veel premie voor een ziektekostenverzekering is ingehouden geheel met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank daartoe hebben geleid. Ook naar het oordeel van de Raad valt die grond buiten de omvang van het geding, omdat het bestreden besluit niet gaat over inhoudingen op de uitkering van appellant over de periode 1 november 2004 tot 1 januari 2006.
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010.
(get.) R.M. van Male.
(get.) J. Waasdorp.
BvW