ECLI:NL:CRVB:2010:BN1655

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/973 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 TWAlgemene wet inzake rijksbelastingenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep bevestigt terugvordering toeslag op grond van Toeslagenwet

Appellante ontving vanaf 2000 een toeslag op haar WAO-uitkering. Bij een besluit van 7 december 2006 werd haar meegedeeld dat zij in totaal € 25.486,06 bruto ten onrechte had ontvangen en dit bedrag moest terugbetalen. De rechtbank verklaarde haar beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat de Toeslagenwet het principe hanteert dat terugvordering altijd plaatsvindt, tenzij er dringende redenen zijn om daarvan af te zien.

In hoger beroep stelde appellante dat zij mocht vertrouwen op de juistheid van de nabetalingen en dat zij telefonisch door het UWV was verzekerd dat de betalingen correct waren. Zij overhandigde een psychologisch verslag en een brief van een vriendin ter ondersteuning van haar standpunt. De Raad oordeelde echter dat appellante geen rechten kon ontlenen aan de inkomensoverzichten, omdat zij ruim twee keer de juiste toeslag ontving en daardoor had moeten begrijpen dat het bedrag niet klopte.

De Raad vond het beroep op het vertrouwensbeginsel onvoldoende onderbouwd en volgde de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat er geen dringende medische redenen waren om van terugvordering af te zien. Het beroep op een arrest van de Hoge Raad werd eveneens verworpen. De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat zij niet meer dan € 24.486,06 hoefde terug te betalen na verrekening van een interne WW-premie.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellante moet de ten onrechte ontvangen toeslag terugbetalen.

Uitspraak

09/973 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 januari 2009, 07/2245
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.W.J.L. Loonen hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Loonen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. D.E.C. Veugen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante ontvangt vanaf 4 december 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 6 februari 2001 is haar een toeslag toegekend ingevolge de Toeslagenwet (TW) van f 12,07 bruto per uitkeringsdag.
1.2. Aan appellante zijn in januari en juli 2006 inkomensoverzichten gezonden, waarin is aangegeven dat zij te weinig toeslag had ontvangen en zijn nabetalingen gedaan.
1.3. Bij besluit van 7 december 2006 is appellante meegedeeld dat zij totaal € 25.486,06 bruto ten onrechte heeft ontvangen en dat zij die moet terugbetalen.
1.4. Bij besluit van 14 november 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat bij artikel 20 van Pro de TW wordt uitgegaan van het principe dat altijd wordt teruggevorderd. Slechts indien daarvoor dringende redenen zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De rechtbank is van oordeel dat appellante aan de inkomensoverzichten geen rechten kon ontlenen. Aangezien de betalingen niet correct waren moesten deze worden teruggevorderd. Het is de rechtbank niet gebleken van dringende redenen, die het Uwv hadden moeten nopen van terugvordering af te zien. Appellante heeft geen medische verklaringen omtrent haar psychische situatie overgelegd die tot een andere conclusie leiden.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij ervan uit mocht gaan dat de nabetalingen juist waren. Zij heeft daarbij gewezen op de inkomensoverzichten en gesteld dat haar – bij telefonische navraag bij het Uwv – is verzekerd dat de betalingen juist waren. Het bedrag was ook niet zo groot dat het niet kon kloppen. Zij lijdt veel schade als haar beroep op het vertrouwensbeginsel niet wordt gehonoreerd want zij heeft het geld al uitgegeven. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een verslag van drs. R.J.M. Dautzenberg, psycholoog, van 19 juni 2009 en een brief van een vriendin van 11 mei 2010 overgelegd.
4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante aan de inkomensoverzichten geen rechten kon ontlenen. Per maand ontving zij een bedrag van € 323,33 bruto, terwijl de toeslag slechts € 135,50 bruto was. Zij ontving dus ruim twee keer zoveel toeslag, zodat zij had moeten begrijpen dat het niet klopte. Haar stelling dat haar telefonisch door het Uwv verzekerd is dat het bedrag wel juist was, is niet onderbouwd. De brief van de vriendin is daartoe onvoldoende. Niet duidelijk is wanneer is gesproken, met wie en wat precies de inhoud van dat gesprek is geweest. Met betrekking tot de door appellante in hoger beroep overgelegde verklaring van Dautzenberg overweegt de Raad dat het logisch is dat de onverwachte schuld een grote impact heeft op het psychisch en fysiek welbevinden. Van een depressieve stemming is volgens Dautzenberg echter geen sprake. De Raad volgt dan ook de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 29 maart 2010 dat geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien op grond van de medische situatie van appellante.
4.2. Het door appellante gedane beroep op het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2007 (LJN BA9393) kan de Raad niet honoreren reeds omdat navordering op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen – anders dan op grond van de TW - niet verplicht is.
4.3. Ter zitting is gesproken over de berekening van de WW-premie. Daarbij is geconcludeerd – op basis van de voorhanden gedingstukken – dat een bedrag van
€ 1.000,= aan WW-premie door het Uwv intern kan worden verrekend. Partijen bereikten ter zitting overeenstemming dat appellante niet meer dan € 24.486,06 aan het Uwv hoeft te voldoen.
5. Het hoger beroep slaagt niet.
6. In het feit dat het Uwv de WW-premie verkeerd heeft berekend en dat ook in hoger beroep ondanks gedane toezeggingen nog niet had hersteld ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,= voor in beroep verleende rechtsbijstand (beroepschrift en 2 zittingen) en € 644,= voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand, totaal € 1.449,=.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.449,=;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 146,= vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) N.M. van Gorkum.
JL