Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1695

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/3656 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awbboek 7 titel 10 BWWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat niet-gebruikte vakantiedagen WW niet kunnen worden meegenomen naar volgend kalenderjaar

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij na zijn vakantie nog recht had op 12 vakantiedagen met behoud van WW-uitkering voor 2008, maar dat niet-gebruikte vakantiedagen niet konden worden meegenomen naar het volgende kalenderjaar. Hij stelde dat de bepalingen van boek 7 titel 10 BW van toepassing waren, omdat de Vakantieregeling WW hierover niets vermeldt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de bepalingen van het BW niet gelden voor werklozen met een WW-uitkering, omdat zij geen civielrechtelijke arbeidsovereenkomst meer hebben. De WW en de daaruit voortvloeiende regelingen zijn van toepassing, waarin is bepaald dat maximaal 20 vakantiedagen met behoud van uitkering kunnen worden genoten en dat niet-gebruikte dagen niet kunnen worden overgeheveld.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en verwijst naar eerdere rechtspraak. Tevens benadrukt de Raad dat de bepalingen van boek 7 titel 10 BW betrekking hebben op arbeidsovereenkomsten en niet van toepassing zijn op werklozen met WW-uitkering. De Raad wijst het beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van het UWV.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat niet-gebruikte vakantiedagen bij WW-uitkering niet kunnen worden meegenomen naar het volgende kalenderjaar.

Uitspraak

09/3656 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 mei 2009, 08/4140 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 juli 2010.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2010, waar appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitvoeriger overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 24 september 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant, na zijn vakantie, nog recht heeft op 12 vakantiedagen met behoud van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW) voor het jaar 2008. Voorts is vermeld dat vakantiedagen die appellant aan het eind van het kalenderjaar overhoudt, niet meegenomen kunnen worden naar een volgend kalenderjaar. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat naar zijn mening de bepalingen uit boek 7 titel 10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing zijn op het meenemen van vakantiedagen, omdat daarover in de Vakantieregeling WW niets staat vermeld.
1.3. Het Uwv heeft het bezwaar tegen het besluit van 24 september 2008 ongegrond verklaard bij besluit van 20 november 2008 (het bestreden besluit).
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat voor de werkloze werknemer de bepalingen uit het BW niet gelden omdat geen sprake (meer) is van een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst. Voor degene die WW-uitkering geniet zijn de WW en de daaruit voortvloeiende regelingen van toepassing. Uit een van die regelingen vloeit voort dat maximaal 20 vakantiedagen met behoud van WW-uitkering kunnen worden genoten en niet opgebruikte vakantiedagen niet kunnen worden overgeheveld naar een volgend jaar.
3. Appellant heeft dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden en zijn eerdere standpunt herhaald. Appellant heeft voorts benadrukt dat boek 7 titel 10 van het BW op alle burgers van toepassing is, inclusief werkzoekende burgers met WW-uitkering.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat in het kader van de toepassing van de WW, vakantiedagen die aan het einde van een kalenderjaar over zijn, niet kunnen worden meegenomen naar een volgend kalenderjaar. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid en verwijst naar zijn rechtspraak dienaangaande (CRvB 20 oktober 1992, gepubliceerd in RSV 1993/81).
4.2. In aanvulling op het bovenstaande merkt de Raad nog op dat het onderdeel van het BW waar appellant op doelt, boek 7 titel 10, de arbeidsovereenkomst betreft en dat de bepalingen daaruit over vakantie en vakantierechten niet op de werkloze in de zin van de WW van toepassing zijn.
4.3. Appellant heeft in beroep en in hoger beroep aangegeven dat uit de brief van 21 december 2005 van het Uwv te begrijpen valt dat hij na 30 december 2005 nog 5 vakantiedagen over had. De stelling van appellant dat het Uwv blijkbaar tot medio januari 2006 de mogelijkheid heeft gehanteerd om niet gebruikte vakantiedagen mee te nemen naar een volgend kalenderjaar, onderschrijft de Raad niet. In alle zich in het dossier bevindende brieven die appellant van het Uwv ontvangen heeft met onderwerp “WW-uitkering tijdens vakantie” staat dezelfde standaardalinea. Consequente herhaling van diezelfde alinea leidde tot een onlogisch resultaat voor het jaar 2005, maar dat betekende niet dat het standpunt van het Uwv dienaangaande anders luidde of dat een andere toepassing aan de Vakantieregeling WW werd gegeven.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) P. Boer.
RK