ECLI:NL:CRVB:2010:BN2053

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6547BESLU+09-6548BESLU
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schending redelijke termijn en toekenning immateriële schadevergoeding

Betrokkene stelde een verzoek om schadevergoeding in wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De Centrale Raad van Beroep heropende het onderzoek en stelde de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, als partij in de procedure. Namens de Staat werd erkend dat de redelijke termijn was overschreden en dat betrokkene recht had op een vergoeding van immateriële schade.

De Raad achtte een bedrag van €4.000,- redelijk en veroordeelde de Staat tot betaling van deze schadevergoeding. Daarnaast werden de proceskosten van betrokkene, begroot op €161,- voor verleende rechtsbijstand, eveneens aan de Staat opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door rechter C.P.J. Goorden en griffier R.L. Venneman, en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €4.000,- immateriële schadevergoeding en €161,- proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

09/6547 BESLU + 09/6548 BESLU
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het verzoek om schadevergoeding van:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
met als partijen:
betrokkene
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat).
Datum uitspraak: 14 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2004, 02/5601 en 7 december 2005, 05/1183 in het geding tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Bij uitspraak van 6 januari 2010 (04/5085 + 06/590) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat (de minister van Justitie) aangemerkt als partij in die procedure.
Namens de Staat heeft mr. P.H. Banda, werkzaam bij de Raad voor de Rechtspraak, in deze procedure een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens betrokkene heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, daarop schriftelijk gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Namens de Staat is - kort weergegeven - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 4.000,- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald.
2. Betrokkene heeft hierop aangegeven zich met het door de Staat ingenomen standpunt te kunnen verenigen.
3. Gelet op het voorgaande ziet de Raad aanleiding de Staat te veroordelen tot vergoeding van immateriële schadevergoeding aan betrokkene ten bedrage van € 4.000,-.
4. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 161,- voor verleende rechtsbijstand, te betalen door de Staat.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 4.000,-;
Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,-.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) R.L. Venneman.
RK