ECLI:NL:CRVB:2010:BN2053
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schending redelijke termijn en toekenning immateriële schadevergoeding
Betrokkene stelde een verzoek om schadevergoeding in wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De Centrale Raad van Beroep heropende het onderzoek en stelde de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, als partij in de procedure. Namens de Staat werd erkend dat de redelijke termijn was overschreden en dat betrokkene recht had op een vergoeding van immateriële schade.
De Raad achtte een bedrag van €4.000,- redelijk en veroordeelde de Staat tot betaling van deze schadevergoeding. Daarnaast werden de proceskosten van betrokkene, begroot op €161,- voor verleende rechtsbijstand, eveneens aan de Staat opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door rechter C.P.J. Goorden en griffier R.L. Venneman, en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €4.000,- immateriële schadevergoeding en €161,- proceskosten aan betrokkene.