ECLI:NL:CRVB:2010:BN2337

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4809 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:75 AwbWet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Artikel 17 Beroepswet
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening vanwege ontbreken nieuwe feiten in zaak Bersiap-periode

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak waarin haar verzoek om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de Bersiap-periode werd afgewezen. De Raad had geoordeeld dat onvoldoende bewijs was geleverd voor haar directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld, mede omdat de getuigenverklaring van haar oom niet op eigen waarneming berustte.

In het herzieningsverzoek stelt verzoekster dat zij niet kon weten dat de verklaring van haar oom niet als voldoende bewijs zou worden geaccepteerd, wat zij aanvoert als nieuw feit. De Raad overweegt echter dat het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om een hernieuwde discussie over de zaak te voeren of om de juistheid van de eerdere uitspraak aan te vechten.

De Raad concludeert dat het verzoek uitsluitend is gericht op het opnieuw bespreken van de aannemelijkheid van de betrokkenheid van verzoekster, zonder dat nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die aan de criteria van artikel 8:88 van Pro de Awb voldoen. Daarom wordt het verzoek om herziening afgewezen.

Ten slotte oordeelt de Raad dat geen aanleiding bestaat voor een vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in aanwezigheid van griffier I. Mos, op 8 juli 2010.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

09/4809 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juli 2008, 07/3971, op het beroep van verzoekster tegen het besluit van verweerster van 31 mei 2007, kenmerk BZ 7659, JZ/R60/2007,
in het geding tussen:
verzoekster
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: PUR).
Datum uitspraak: 8 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoekster is om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad van 3 juli 2008.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, [naam oom]. De PUR heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
1.2. Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd heeft de Raad in de door en namens verzoekster aangedragen argumenten geen grond kunnen vinden voor het oordeel dat verzoekster, die geboren is in 1946 in het voormalig Nederlands-Indië, in de Bersiap-periode heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Daarbij heeft de Raad overwogen dat onvoldoende bevestiging is verkregen van de gestelde gebeurtenissen nu de verklaring van verzoeksters oom [naam oom] omtrent de beschietingen van het ouderlijk huis van verzoekster niet op eigen waarneming berust maar is gebaseerd op zijn eigen ervaringen en bekende historische feiten.
2. Namens verzoekster is ter onderbouwing van haar verzoek om herziening gesteld dat - kort gezegd - als nieuw feit in de zin van artikel 8:88 van Pro de Awb moet gelden dat verzoekster vóór de uitspraak niet kon weten dat de getuigenverklaring van [naam oom], omdat hij geen directe ooggetuige was, niet als voldoende bewijs zou worden geaccepteerd voor verzoeksters betrokkenheid bij oorlogsgeweld.
3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of sprake is van door verzoekster aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 13 januari 2005, LJN AS3516, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, eventueel op basis van nieuwe argumenten, een hernieuwde discussie over de zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betreffende uitspraak te openen. De Raad stelt vast dat het onderhavige verzoek om herziening er uitsluitend op is gericht om opnieuw een discussie te voeren over de aannemelijkheid van verzoeksters directe betrokkenheid bij beschietingen tijdens de Bersiap-periode, nu niets anders wordt aangevoerd dan dat de Raad in zijn uitspraak ten onrechte onvoldoende waarde heeft gehecht aan de getuigenverklaring van verzoeksters oom en die uitspraak daarom onjuist is.
3.2. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van Pro de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijke uitspraak. Het verzoek om herziening wordt dan ook afgewezen.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) I. Mos.
HD