ECLI:NL:CRVB:2010:BN2562

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2464 AOW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-betaling griffierecht in hoger beroep AOW-uitspraak

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een AOW-zaak. De Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat appellant het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn had betaald.

Appellant heeft vervolgens verzet aangetekend tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Tijdens de zitting op 10 juni 2010 waren partijen niet aanwezig. De Raad oordeelde dat het griffierecht niet was voldaan en appellant geen geldige verklaring gaf voor het niet-betalen. Het verzoek om alsnog betaling te mogen verrichten kwam te laat, na het verstrijken van de termijn.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten van het verzet. De uitspraak werd gedaan door rechter T.G.M. Simons en griffier R. Groothuis op 22 juli 2010.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

09/2464 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant] wonende te Marokko, (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2009, 07/2714 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 22 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 8 oktober 2009 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2009 heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 juni 2010, waar partijen - de Svb met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 8 oktober 2009 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de daartoe overeenkomstig de wettelijke voorschriften aan appellant gestelde termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald.
In zijn verzetschrift heeft appellant geen verklaring gegeven voor het feit dat hij het griffierecht niet heeft betaald. Wel heeft hij verzocht hem opnieuw in de gelegenheid te stellen het griffierecht te voldoen. Nu dit verzoek is gedaan na het verstrijken van de aan appellant gestelde termijn en ook geen sprake is van eerder, wel binnen de gestelde termijn gedaan verzoek, bestaat hiervoor echter geen grond.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de kosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van R. Groothuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2010.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) R. Groothuis.
AV