ECLI:NL:CRVB:2010:BN3005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering en mate van arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering waarbij zijn arbeidsongeschiktheid per 17 april 2006 was vastgesteld op 25 tot 35%. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar gegrond was en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moest nemen, waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 45 tot 55%.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV zijn psychische beperkingen had onderschat, onderbouwd met een neuropsychologisch rapport dat lichte cognitieve deficiënties toonde. De Raad oordeelde echter dat deze deficiënties niet als op ziekte of gebrek berustende beperkingen konden worden aangemerkt en onderschreef de medische beoordeling van de psychiater die geen psychiatrische stoornis vaststelde.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het herstelde besluit van het UWV, waarin de arbeidsongeschiktheid op 45 tot 55% was vastgesteld, ongegrond. Er was geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 30 juli 2010.
Uitkomst: Het beroep tegen het herstelde besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.