AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Herziening en intrekking WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na psychische klachten
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, viel in 2003 uit wegens psychische klachten en ontving een WAO-uitkering van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. In 2006 werd haar uitkering ingetrokken met ingang van 18 juli 2006, waarna zij bezwaar maakte en beroep instelde tegen dit besluit en een herzieningsbesluit van 2007.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit tot intrekking, maar herroept het besluit van 17 mei 2006 niet, waardoor de uitspraak niet in stand kon blijven. De Raad stelde een onafhankelijk deskundige aan die een volledig en zorgvuldig onderzoek verrichtte naar de psychische belastbaarheid van appellante op de relevante data.
De deskundige concludeerde dat appellante met ingang van 18 juli 2006 arbeidsongeschikt was in de mate van 15 tot 25%. De Raad onderschreef ook de bevindingen van de bezwaararbeidsdeskundige dat de voorgehouden functies medisch geschikt waren. De Raad besloot zelf in de zaak te voorzien, het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en het besluit van 17 mei 2006 te herroepen.
Ten aanzien van de herziening per 22 februari 2007 bevestigde de Raad het oordeel van de deskundige en de rechtbank dat de medische en arbeidskundige grondslagen juist waren. De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 augustus 2010.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en herroepen, met een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% vanaf 18 juli 2006.
Uitspraak
07/1017 + 09/3363 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 11 januari 2007, 06/3350 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 12 mei 2009, 08/2330 (hierna: aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 augustus 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. van Toorn, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.
Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
Door partijen zijn stukken in geding gebracht, waarop over en weer is gereageerd.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad op 26 juni 2009 is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
De Raad heeft psychiater B.A. von Bargen benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek naar de belastbaarheid van appellante op de data in geding, 18 juli 2006 en 22 februari 2007. Von Bargen heeft een schriftelijk verslag van haar onderzoek, gedateerd 18 januari 2010, aan de Raad uitgebracht, waarop vervolgens door partijen is gereageerd.
Het onderzoek ter zitting in de onderhavige zaken heeft plaatsgevonden op 28 mei 2010 waar appellante en haar raadsman met bericht van afwezigheid niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante, die werkzaam was als administratief medewerkster, is op 23 mei 2003 met psychische klachten uitgevallen. Na afloop van de wachttijd is appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2.1. In 2006 heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante plaatsgevonden aan de hand van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zoals dat luidt met ingang van
1 oktober 2004. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft het Uwv appellante niet langer arbeidsongeschikt geacht en haar uitkering met ingang van 18 juli 2006 ingetrokken.
2.2. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 17 juli 2006 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 17 juli 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft appellante beroep bij de rechtbank ingesteld.
3.1 Vervolgens is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 22 februari 2007 beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Schattingsbesluit zoals luidde tot 1 oktober 2004. Bij besluit van 7 december 2007 heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering van appellante met ingang van 22 februari 2007 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
3.2. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 28 april 2008 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 28 april 2008 (hierna: bestreden besluit 2) heeft appellante eveneens beroep bij de rechtbank ingesteld.
4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellante gegrond verklaard en het bestreden besluit 1 vernietigd. De rechtbank heeft voorts bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen inhoudt dat de WAO-uitkering van appellante met ingang van 18 juli 2006 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
4.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 2 geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit 2 juist is. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de functies zoals deze als grondslag voor de schatting in aanmerking zijn genomen en in beroep nader zijn toegelicht. Het bestreden besluit 2 is onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen.
5. Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraken verenigen en stelt zich op het standpunt dat zij vanwege haar psychische en lichamelijke beperkingen niet in staat is om reguliere arbeid te verrichten en volledig arbeidsongeschikt is. Ter ondersteuning is gewezen op de informatie van haar behandelaars en de overgelegde medische stukken.
6. De Raad overweegt in de zaak 07/1017 het volgende.
6.1. De Raad stelt allereerst vast dat de rechtbank op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak heeft voorzien. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit 1 vernietigd, doch heeft nagelaten het besluit van 17 mei 2006 te herroepen. Reeds hierom kan de aangevallen uitspraak 1 niet in stand blijven.
6.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat in beginsel het oordeel van de door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige dient te worden gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Daartoe overweegt de Raad dat het door de deskundige Von Bargen verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest en dat de conclusies in haar rapport over de psychische belastbaarheid van appellante met betrekking tot de datum in geding, 18 juli 2006, overtuigend zijn gemotiveerd. In hetgeen namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. De Raad concludeert dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld.
6.3. De Raad ziet, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond voor het oordeel dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn. In dit verband onderschrijft de Raad evenals de rechtbank de bevindingen van de bezwaararbeidsdeskundige B.H.M. Bootsma in het rapport van 8 november 2006. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante, anders dan bij het bestreden besluit 1 is bepaald, met ingang van 18 juli 2006 arbeidsongeschikt beschouwd moet worden naar de klasse 15 tot 25%.
6.4. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante gegrond verklaren, het bestreden besluit 1 vernietigen en het besluit van 17 mei 2006 herroepen. Dit betekent dat appellante met ingang van
18 juli 2006 een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
7. De Raad overweegt in de zaak 09/3363 het volgende.
7.1. De Raad heeft in deze zaak evenmin aanleiding om het oordeel van de ingeschakelde deskundige Von Bargen over de psychische belastbaarheid van appellante met betrekking tot de datum in geding, 22 februari 2007, voor onjuist te houden. De Raad neemt in aanmerking dat door de deskundige is meegewogen dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in bezwaar is gewijzigd op de aspecten concentreren van aandacht en herinneren. Voor wat betreft de fysieke belastbaarheid van appellante overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts afdoende heeft gereageerd op de informatie van de behandelende revalidatiearts. Vastgesteld kan worden dat de medische grondslag van het bestreden besluit 2 juist is.
7.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies terecht als geschikt voor appellante zijn aangemerkt. De Raad is van oordeel dat alle mogelijke overschrijdingen voldoende zijn toegelicht.
7.3. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover daarbij is nagelaten het besluit van
17 mei 2006 te herroepen;
Herroept het besluit van 17 mei 2006;
Bevestigt de aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal
€ 644,-, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010.