ECLI:NL:CRVB:2010:BN4154

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2317 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 Wsf 2000Art. 3.27 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering studiefinanciering en OV-kaart wegens onterecht bezit

Appellante had studiefinanciering ontvangen en een OV-studentenkaart in een periode waarin zij niet definitief was ingeschreven voor een vervolgopleiding. De Minister vorderde terugbetaling van de studiefinanciering en een bedrag wegens het niet tijdig inleveren van de OV-kaart. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat zij het risico had aanvaard dat de inschrijving niet zou plaatsvinden, waardoor terugvordering terecht was.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij op basis van informatie van de onderwijsinstelling mocht vertrouwen op toelating tot de opleiding. De Minister stelde dat de inschrijving onder verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling viel en niet onder de Minister.

De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden of schending van het vertrouwensbeginsel aanwezig waren om af te zien van terugvordering. De Raad bevestigde daarom het besluit tot herziening en terugvordering van studiefinanciering en de vordering wegens onterecht bezit van de OV-kaart.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van studiefinanciering en de vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart.

Uitspraak

09/2317 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 februari 2009, 06/1539 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 6 augustus 2010
I. PROCESVERLOOP
In dit geding is een uitspraak aan de orde over besluiten die zijn genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
Namens appellante heeft mr. J. Biemond, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010.
Namens appellante is verschenen mr. Biemond, voornoemd. De Minister was vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 8 september 2006 heeft de Minister aan appellante medegedeeld dat zij vanaf 1 mei 2006 geen recht heeft op studiefinanciering en dat hierdoor een kortlopende schuld wegens ten onrechte toegekende studiefinanciering is ontstaan ten bedrage van € 4.418,93 en een kortlopende schuld ten bedrage van € 544,- wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart.
1.2. Bij besluit van 22 september 2008 heeft de Minister aan appellante medegedeeld dat de schuld wegens niet tijdig inleveren van de OV-kaart is verhoogd tot € 680,-.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 16 november 2006 heeft de Minister het bezwaar van appellante tegen bovengenoemde besluiten ongegrond verklaard.
1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikel 2.7, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000) het recht op studiefinanciering is vervallen met ingang van 20 april 2006. Gelet op het bepaalde in artikel 3.27, eerste lid, van de Wsf 2000 diende appellante de OV-studentenkaart uiterlijk op 5 mei 2006 in te leveren. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat appellante het risico heeft aanvaard dat definitieve inschrijving voor de vervolgopleiding per 1 augustus 2006 uiteindelijk niet zou plaatsvinden en dat zij in dat geval zou worden geconfronteerd met een vordering wegens de tijdens de overbruggingsperiode onterecht toegekende studiefinanciering en met een vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart over deze periode. De rechtbank is van oordeel dat de Minister terecht de onverschuldigde betaalde studiefinanciering heeft teruggevorderd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart terecht is opgelegd nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden noch van schending van het vertrouwensbeginsel.
2.1. In hoger beroep heeft appellante (wederom) aangevoerd dat zij, gelet op de informatie die zij van het ROC Leiden had ontvangen, niet kon weten dat er een risico bestond dat zij niet zou worden toegelaten tot de opleiding. Zij mocht er, tot de uitslag van de intake-toets, eind augustus 2006, op vertrouwen dat zij met de vak-opleiding aan het ROC Leiden zou kunnen beginnen per 1 september 2006.
2.2. Bij het verweerschrift heeft de Minister er (nogmaals) op gewezen dat de perikelen rond de inschrijving van appellante bij het ROC Leiden onder verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling vallen en niet onder verantwoordelijkheid van de Minister.
3.1. De Raad overweegt het volgende.
3.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat bij het besluit op bezwaar terecht de herziening en de terugvordering van de studiefinanciering over de overbruggingsperiode is gehandhaafd evenals de hiermee samenhangende vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt daaraan toe dat in appellantes geval niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat het op de weg van de Minister had gelegen om met toepassing van de hardheidsclausule af te zien van herziening en terugvordering en/of van vaststelling van een OV-schuld.
3.3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M. Mostert.
EV