ECLI:NL:CRVB:2010:BN5127

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-953 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van bezwaarschrift wegens overschrijding termijn

Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreffende een terugvordering. Dit besluit was oorspronkelijk genomen door de IB-Groep, die per 1 januari 2010 is opgehouden te bestaan. De Minister trad in haar plaats.

Appellante stelde dat zij het bezwaarschrift tijdig had ingediend binnen zes weken na ontvangst van het besluit. Zij ondersteunde dit met een bewijs van verzending van het postkantoor. De rechtbank had echter geoordeeld dat het bezwaarschrift te laat was ingediend en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Uit het bewijs blijkt dat het besluit op 17 juli 2008 is verzonden, waardoor de termijn voor bezwaar op 18 juli 2008 begon en eindigde op 28 augustus 2008. Het bezwaarschrift werd op 29 augustus 2008 verzonden, dus te laat. De Raad ziet geen reden om de overschrijding te verontschuldigen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het bezwaarschrift is te laat ingediend en het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

10/953 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2009, 09/284 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-groep).
Datum uitspraak: 27 augustus 2010
I. PROCESVERLOOP
In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat genomen is door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en de Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2010. Appellante is in persoon verschenen. Voor de Minister is verschenen mr. M. van der Toorn.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op 14 juli 2007 heeft de Minister aan appellante een besluit verzonden betreffende een terugvordering. Een kopie van dat besluit is op 17 juli 2008 naar appellante verzonden.
1.2. Appellante heeft bij schrijven van 29 augustus 2008 tegen het besluit van 14 juli 2007 bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 8 december 2008 heeft de Minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 8 december 2008 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante verklaard het niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank dat de Minister terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellante stelt het besluit op 19 juli 2008 te hebben ontvangen en binnen zes weken na ontvangst, namelijk op 29 augustus 2008 een bezwaarschrift te hebben ingediend. Zij verwijst hierbij naar het door het postkantoor afgegeven bewijs van verzending van 29 augustus 2008. Appellante voert voorts aan dat de rechtbank aan de mondelinge verklaring van de vertegenwoordiger van de Minister dat het besluit niet later dan 17 juli 2008 is verzonden, veel meer waarde hecht dan aan het schriftelijke bewijs van appellante dat zij op 29 augustus 2008 het bezwaarschrift verzonden heeft. Dit vertrouwen in de Minister is nergens op gebaseerd en is volstrekt oneerlijk.
4. De Raad is - met de rechtbank - van oordeel dat de Minister terecht het bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2007, nogmaals verzonden op 17 juli 2008 niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad ziet geen reden om aan te nemen dat het besluit, dat voorzien is van een stempel met de verzenddatum en een handtekening, later is verstuurd dan op 17 juli 2008. Dat betekent - zoals reeds uiteen is gezet in de aangevallen uitspraak - dat de bezwaartermijn is aangevangen op 18 juli 2008 en eindigde op 28 augustus 2008. Nu vaststaat dat het bezwaarschrift is verzonden op 29 augustus 2008, kan de Raad niets anders concluderen dan dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het standpunt van appellante dat zij het bezwaarschrift heeft ingediend binnen zes weken na ontvangst van het besluit van 14 juli 2007 gaat eraan voorbij dat ingevolge artikel 6:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de termijn voor het indienen van bezwaar niet start bij ontvangst van een besluit, maar met ingang van de dag na die waarop het besluit aan appellante is verzonden. De Raad ziet voorts geen reden om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten.
5. Het vorengaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.
(get.) J. Brand.
(get.) D.E.P.M. Bary.
EV