ECLI:NL:CRVB:2010:BN5128

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-759 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit UWV tot niet terugkomen van eerdere WAO-besluiten wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep ongegrond verklaarde tegen het besluit van het UWV van 31 januari 2008. Het UWV besloot toen niet terug te komen op eerdere besluiten van 6 april 2001 en 6 februari 2004. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Appellante stelde dat de diagnose van het syndroom van Sjögren, een auto-immuunaandoening die haar klachten versterkt, een nieuw feit was dat tot herbeoordeling moest leiden. Deze diagnose werd echter pas in 2006 gesteld, terwijl in 2004 al vermoedens waren. De Raad overwoog dat niet de diagnose zelf, maar de beperkingen voor het verrichten van arbeid doorslaggevend zijn bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid.

De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat de aangevoerde feiten geen aanleiding geven om terug te komen op de eerdere besluiten. Ook de door appellante genoemde fouten in de medische beoordeling bieden geen grond voor toepassing van artikel 4:6 Awb Pro. Het hoger beroep wordt dan ook verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht niet is teruggekomen op eerdere WAO-besluiten wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

10/759 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2009, 08/2614 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 augustus 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.A.K. Kuipers, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 16 juli 2010, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 31 januari 2008, waarbij het Uwv - beslissend op bezwaar - heeft besloten niet terug te komen van de besluiten van 6 april 2001 en 6 februari 2004.
1.2. De rechtbank heeft daarbij overwogen, onder verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de vaste rechtspraak van de Raad, dat de rechterlijke toetsing zich in eerste instantie beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
1.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante aan haar verzoek dat heeft geleid tot het besluit van 31 januari 2008, bedoeld in 1.1, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb ten grondslag gelegd. Het Uwv was derhalve bevoegd het verzoek van appellante af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere besluitvorming.
2.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat inmiddels op basis van toegenomen klachten een herbeoordeling heeft plaatsgevonden. Daarbij is een groter aantal beperkingen aangenomen dan bij de eerdere beoordeling die gold vanaf 28 april 2001, inclusief een urenbeperking. Als gevolg daarvan heeft het Uwv haar uitkering inmiddels verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante stelt zich op het standpunt dat hieruit volgt dat sprake is van nieuwe omstandigheden en dat deze omstandigheden aanleiding dienen te geven om terug te komen van de besluiten van
6 april 2001 en 6 februari 2004.
2.2. Voorts heeft appellante haar standpunt dat bij de medische beoordeling voorafgaande aan het besluit van 6 april 2001 fouten zijn gemaakt herhaald. Zij baseert zich daarbij voornamelijk op de omstandigheid dat tussen 2004 en 2006 is komen vast te staan dat zij lijdt aan het syndroom van Sjögren, een auto-immuunaandoening, en dat deze aandoening de klachten die zij ondervindt van het chronisch vermoeidheidssyndroom versterkt. Dit feit is in 2001 niet meegenomen in de beoordeling omdat het toen nog niet bekend was, in 2004 werd wel vermoed dat appellante deze aandoening had, maar pas in 2006 is de diagnose gesteld.
3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De Raad kan zich ook vinden in de door rechtbank gebezigde overwegingen.
3.2. Het feit dat tussen 2004 en 2006 de diagnose syndroom van Sjögren is gesteld, kan niet worden aangemerkt als nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid is niet een bepaalde diagnose doorslaggevend, maar de voor appellante geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid.
3.3. De door appellante bedoelde fouten - daargelaten of deze fouten ook zijn gemaakt - bieden naar vaste rechtspraak van de Raad geen grond voor toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb.
3.4. Uit de overwegingen 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.
(get.) J. Brand.
(get.) D.E.P.M. Bary.
EV