ECLI:NL:CRVB:2010:BN5191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing pensioenaanvraag AOW wegens verblijf aan boord Nederlandse schepen
Appellant diende een aanvraag in voor een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), met als onderbouwing dat hij drie jaar als bemanningslid aan boord van Nederlandse zeeschepen heeft gewerkt en gedurende die periode in het zeemanshuis in Rotterdam verbleef.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant na 1 januari 1957 niet verzekerd was voor de AOW. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant niet aan de vaste wal woonde, maar aan boord van de schepen, waardoor hij niet als ingezetene werd beschouwd en niet verzekerd was.
De Raad wees ook op het feit dat het Nederlands-Portugees Verdrag inzake Sociale Zekerheid pas na de relevante periode in werking trad en dat het destijds geoorloofd was om onderscheid te maken naar nationaliteit bij de verzekeringsplicht. Appellant had geen aanvullende bewijsstukken overgelegd om zijn stelling te onderbouwen dat anderen onder gelijke omstandigheden wel een pensioen ontvingen.
Gelet op deze omstandigheden concludeerde de Raad dat de Svb terecht heeft geoordeeld dat appellant geen recht heeft op een AOW-uitkering voor de periode van november 1958 tot september 1961. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een AOW-pensioen omdat hij aan boord van Nederlandse schepen woonde en niet aan de vaste wal.