ECLI:NL:CRVB:2010:BN5918

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4259 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WuboArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard wegens ontbreken directe levensbedreiging tijdens Bersiap-periode

Appellant verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), vanwege een vlucht tijdens de Bersiap-periode uit angst voor pemoeda’s. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze aanvraag af, een besluit dat na bezwaar werd gehandhaafd.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat hoewel de dreiging van de pemoeda’s de vlucht begrijpelijk maakte, er geen sprake was van een directe levensbedreigende situatie ten tijde van de vlucht. Een zelfverkozen vlucht uit angst voor mogelijke ongeregeldheden kwalificeert niet als oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wubo. Ook het feit dat achtergebleven bewoners later werden vermoord, leidt niet tot erkenning.

Appellant stelde dat een vergelijkbare situatie bij een familielid anders werd beoordeeld, maar de Raad stelde vast dat die vlucht plaatsvond onder andere omstandigheden en tijdstippen. Verwijzingen naar verzetsactiviteiten van de vader zijn juridisch irrelevant voor de Wubo-beoordeling.

De Raad concludeerde dat appellant weliswaar angstige omstandigheden heeft ervaren, maar dat de Wubo een beperkte reikwijdte heeft en directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld vereist. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard zonder toekenning van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van directe levensbedreiging tijdens de vlucht.

Uitspraak

09/4259 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 12 augustus 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 7 juli 2009, kenmerk BZ 8894, JZ/A60/2009, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2010. Daar is appellant, zoals bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.Appellant, geboren in 1939, heeft in maart 2008 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering dan wel een toeslag en voorzieningen. Hierop heeft verweerster bij besluit van 19 december 2008 afwijzend beslist, welke afwijzing na gemaakt bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid onder a, b, d en f, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:
degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:
- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;
- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;
- ten gevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.
2.2. Door appellant is naar voren gebracht dat het gezin tijdens de Bersiap-periode na te zijn gewaarschuwd voor moordende pemoeda’s is gevlucht naar de Nijlandweg. Naar zijn mening moet dat leiden tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo.
2.3. Verweerster heeft in beroep het standpunt gehandhaafd dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo. Naar het oordeel van verweerster is niet gebleken dat de vlucht van appellant naar de Nijlandweg onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden.
2.4. De Raad heeft in hetgeen door appellant naar voren is gebracht geen aanleiding gevonden het door verweerster bij het bestreden besluit ingenomen standpunt in rechte onhoudbaar te achten en overweegt als volgt.
2.4.1 Uit de stukken komt naar voren dat het gezin tijdig werd gewaarschuwd voor de pemoeda’s die van plan zouden zijn de Indische Nederlanders in Bronbeek te vermoorden. Vervolgens is het gezin uit voorzorg vertrokken naar de Nijlandweg en heeft daar een veilig heenkomen gevonden. De opkomende dreiging van de pemoeda’s maakt de vlucht weliswaar begrijpelijk, maar van een direct levensbedreigende situatie ten tijde van het vluchten was (nog) geen sprake. Een zelfverkozen vlucht uit angst voor te verwachten ongeregeldheden kan niet als oorlogsgeweld als bedoeld onder 2.1 worden aangemerkt. Dat, zoals door appellant gesteld, naderhand zou zijn gebleken dat de achtergebleven bewoners wel zijn vermoord kan aan het voorgaande niet afdoen. De Wubo stelt nu eenmaal directe betrokkenheid bij het oorlogsgeweld als voorwaarde.
2.4.2. Vervolgens heeft appellant naar voren gebracht dat eenzelfde situatie door verweerster verschillend is beoordeeld. Zo zou bij [naam stiefbroer] (de stiefbroer van appellants moeder) de vlucht naar de Nijlandweg wel zijn aanvaard. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Uit de voorhanden gegevens blijkt dat bij [naam stiefbroer] in het kader van de Wubo alleen is aanvaard dat hij onder gevaarlijke omstandigheden heeft moeten vluchten van Zuid-Bandoeng naar Noord-Bandoeng. Deze vlucht vond echter plaats voordat [naam stiefbroer] bij de familie van appellant kwam wonen.
3. Voor zover appellant in beroep heeft gewezen op verzetsactiviteiten van zijn vader merkt de Raad op dat, wat hiervan ook zij, die omstandigheden niet bij de beoordeling van de aanvraag in het kader van de Wubo kunnen worden betrokken.
4. Gezien het voorgaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard. De Raad hecht eraan nog op te merken dat hiermee niet is beoogd te miskennen dat appellant tijdens de Bersiap-periode angstige omstandigheden heeft ervaren. De Wubo heeft echter een beperkte strekking in die zin dat sprake moet zijn geweest van in die wet specifiek beschreven oorlogservaringen.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en A.J. Schaap en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2010.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) C. de Blaeij.
HD