ECLI:NL:CRVB:2010:BN5999
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.L.C. Hermans
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond verklaard tegen weigering herziening grondslag periodieke uitkering Wuv
Appellant, geboren in 1953, ontving sinds 1992 een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), gebaseerd op zijn inkomen als videomedewerker. In 2007 verzocht hij om herziening van de grondslag van zijn uitkering, waarbij hij stelde dat hij vanwege psychische klachten altijd werk beneden zijn opleidingsniveau had verricht. Verweerster verhoogde het bedrag van de grondslag per 1 februari 2007, maar wees het bezwaar af dat artikel 5 van Pro de Regeling vaststelling grondslag jeugdige vervolgden van toepassing zou moeten zijn.
De Raad oordeelde dat het verzoek om herziening een discretionaire bevoegdheid van verweerster betreft, waarbij alleen nieuwe feiten of omstandigheden aanleiding geven tot herziening. Voor het verleden geldt een strikte toets op nieuw gebleken feiten. De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij vanwege psychische klachten werk onder zijn opleidingsniveau verrichtte, en dat het salarisniveau passend was bij zijn opleiding en functie.
Daarmee was er geen reden voor verweerster om terug te komen op het oorspronkelijke besluit voor het tijdvak voorafgaand aan de nieuwe aanvraag. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de weigering tot herziening van de grondslag van zijn periodieke uitkering wordt ongegrond verklaard.