ECLI:NL:CRVB:2010:BN6721

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4560 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende ziektebeeld volgens onafhankelijke deskundige

Appellante heeft zich in mei 2006 ziek gemeld met psychische klachten vanuit een werkloosheidssituatie. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft bij besluit in april 2008 haar aanvraag voor een WIA-uitkering afgewezen en dit besluit bij bezwaar in augustus 2008 gehandhaafd.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep een onafhankelijke deskundige, psychiater B.J. van Eyk, ingeschakeld die appellante uitgebreid onderzocht en sprak met haar en haar vader. De deskundige concludeerde dat er geen sprake is van ziekte of gebrek op psychisch gebied, maar dat de problematiek in haar persoonlijkheid ligt. Hij achtte appellante in staat om de voor haar geselecteerde functies te verrichten.

De Raad volgt in zijn oordeel de deskundige en acht diens rapport zorgvuldig en volledig. De conclusie strookt met eerder psychologisch onderzoek en de huisarts bevestigt dat er geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. De Raad ziet geen reden om het oordeel van de deskundige te verwerpen en bevestigt het besluit van het Uwv dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch had eerder het beroep van appellante ongegrond verklaard omdat er sprake was van een zorgvuldig onderzoek en passende functies waren geselecteerd. Appellante stelde in hoger beroep dat zij meer beperkingen heeft, vooral op sociaal en persoonlijk vlak, maar de Raad acht dit onvoldoende onderbouwd.

Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

09/4560 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 juli 2009, 08/3271 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.J.C.M. Rouws, advocaat te Berlicum, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Rouws. Het Uwv was vertegenwoordigd door L. den Hartog. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde een onafhankelijke deskundige te laten rapporteren omtrent de gezondheidstoestand van appellante.
De deskundige, psychiater B.J. van Eyk, heeft op 31 mei 2010 omtrent de gezondheidstoestand van appellante gerapporteerd. Zijdens appellante is daarop gereageerd. Desgevraagd heeft Van Eyk zijn standpunt toegelicht. Vervolgens is namens appellante een nadere reactie ingezonden.
Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder verdere zitting af te doen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft zich op 17 mei 2006 met psychische klachten ziek gemeld vanuit een werkloosheidssituatie.
1.2. Bij besluit van 22 april 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.3. Bij besluit op bezwaar van 27 augustus 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een voldoende zorgvuldig onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen. De artsen hebben de psychische problematiek van appellante onderkend en de informatie van de behandelende sector in voldoende mate bij hun beoordeling betrokken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid onjuist dan wel onvoldoende zouden moeten worden geacht. De door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen beperkingen zijn in overeenstemming met het psychologische rapport van 23 januari 2008. Dat appellante in het kader van de WSW meer beperkt is geacht heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. De rechtbank acht de voor appellante geselecteerde functies passend.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft met name op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Zij acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank geen deskundigenonderzoek heeft laten verrichten. Zij kan de geduide functies van medewerker administratieve ondersteuning en inpakker niet verrichten omdat daarin een bijzondere belasting voorkomt op het punt samenwerken.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De deskundige Van Eyk heeft appellante onderzocht, tweeënhalf uur met haar gesproken en met haar vader gesproken. In zijn uitgebreide rapport van 31 mei 2010 komt hij tot de conclusie dat bij appellante geen sprake is van ziekte of gebrek op psychisch gebied. Haar problematiek ligt in haar persoonlijkheid. De deskundige kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en acht appellante in staat de voor haar geselecteerde functies te verrichten.
4.3. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat standpunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De deskundige heeft kennis genomen van de visie van de behandelaar van appellante en in zijn rapport aangegeven waarom hij die visie niet deelt. De Raad acht deze motivering overtuigend en het door de deskundige verrichte onderzoek zorgvuldig en volledig. Bovendien strookt de conclusie van de deskundige met de resultaten van het psychologisch onderzoek d.d. 23 januari 2008, terwijl ook de huisarts aangeeft dat geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis.
4.4. Mede gelet op de conclusie van de deskundige ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat appellante de geduide functies niet zou kunnen verrichten.
4.5. Het hoger beroep slaagt dus niet.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
10 september 2010.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) T.J. van der Torn.
TM