ECLI:NL:CRVB:2010:BN6971
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WW-dagloon gebaseerd op WAO-vervolgdagloon in hoger beroep
Betrokkene ontving sinds 1998 een WAO-uitkering en was vanaf 2002 gedeeltelijk werkzaam. Zijn WAO-uitkering werd in 2006 beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Vervolgens werd hem een WW-uitkering toegekend, berekend op basis van het WAO-vervolgdagloon. Betrokkene maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon, maar dit werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afgewezen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat artikel 13 lid 6 van Pro het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen niet toegepast mocht worden vanwege strijd met artikel 45 van Pro de WW. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het WW-dagloon correct is vastgesteld volgens artikel 45 WW Pro en dat artikel 13 lid 6 van Pro het Besluit terecht wordt toegepast.
De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (LJN BI4685) ter onderbouwing en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het WW-dagloon is terecht vastgesteld op basis van het WAO-vervolgdagloon.