ECLI:NL:CRVB:2010:BN7169

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1899 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van geen recht op Ziektewetuitkering wegens herstel arbeidsgeschiktheid

Appellant, voormalig productie medewerker tuinbouw, meldde zich op 2 oktober 2007 ziek met darmklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Op 21 februari 2008 verklaarde een verzekeringsarts appellant hersteld voor arbeid en werd het recht op uitkering beëindigd per 25 februari 2008. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond op basis van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts.

De rechtbank Rotterdam bevestigde het besluit van het UWV, waarbij zij het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts als zorgvuldig en onderbouwd beschouwde. De rechtbank nam mee dat appellant ook na het besluit medicatie gebruikte, maar dat dit geen nieuwe informatie over zijn klachten gaf. Appellant bracht in hoger beroep medische verklaringen in, waaronder brieven van een arts-psychotherapeut die de diagnose schizofrenie stelde.

De Raad hechtte echter doorslaggevende betekenis aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, die geen stoornis in engere zin kon vaststellen en geen aanwijzingen vond voor psychotische of andere ernstige psychische aandoeningen op de datum van belang. De Raad concludeerde dat appellant geschikt is voor psychisch nauwelijks belastende arbeid en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant sinds 25 februari 2008 niet meer ongeschikt is voor arbeid en geen recht meer heeft op een Ziektewetuitkering.

Uitspraak

09/1899 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2009, 08/2520 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 13 augustus 2010 heeft appellant nadere medische informatie ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. B. van Dijk.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als productie medewerker tuinbouw/rozenplukker, heeft zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, op 2 oktober 2007 ziek gemeld met darmklachten. Appellant is een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) verstrekt.
1.2. Appellant is door de verzekeringsarts op 21 februari 2008 hersteld verklaard voor zijn arbeid met ingang van 25 februari 2008. Bij besluit van 21 februari 2008 is appellant meegedeeld dat hij per 25 februari 2008 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de ZW.
1.3. Bij besluit van 3 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 februari 2008 met verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 29 mei 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe in de aangevallen uitspraak overwogen dat, gelet op de wijze waarop de bezwaarverzekeringsarts zijn conclusie heeft onderbouwd en mede gezien de overige gedingstukken, het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. De rechtbank heeft daarbij meegewogen, dat de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van de verzekeringsarts en de in bezwaar overgelegde informatie van de apotheek en de BAVO heeft betrokken. Het in beroep van de zijde van appellant overgelegde medicatieoverzicht laat zien dat appellant ook na het bestreden besluit medicatie is blijven gebruiken maar geeft geen nieuwe informatie over de klachten van appellant. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat het opvragen van medische informatie bij de behandelende sector niet achterwege had mogen blijven. De rechtbank heeft daarvoor doorslaggevend geacht dat de bezwaarverzekeringsarts, hoewel uit de brief van de BAVO van 13 mei 2008 blijkt dat appellant pas vanaf 26 mei 2008, derhalve ruim na 25 februari 2008, voor zijn psychische klachten onder behandeling is, blijkens zijn rapport van 29 mei 2008 ervan op de hoogte was dat de psychische klachten van appellant al langer bestonden en dat zijn medicatie gewijzigd was.
3.1. In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat uit een verklaring van de behandelend arts-psychotherapeut van de BAVO alsmede uit aan de huisarts verstrekte informatie blijkt dat appellant vanwege zijn psychische gesteldheid ongeschikt is gebleven. Nadien zijn door appellant een tweetal brieven van de behandelend
arts-psychotherapeut J.W.A IJzerman van 11 en 15 februari 2010 in het geding gebracht, waaruit blijkt dat deze arts-psychotherapeut de diagnose schizofrenie heeft gesteld.
3.2. Ter zitting van de Raad heeft mr. Van Dijk nadere gegevens omtrent een volgende ZW-procedure bij de rechtbank, waarbij mr. Van Zundert eveneens als gemachtigde van appellant optrad, overgelegd, waaronder een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 24 februari 2010, waarin deze arts ingaat op de voornoemde brieven van
arts-psychotherapeut IJzerman.
4. De Raad oordeel als volgt.
4.1. De Raad ziet in de meergenoemde brieven van de de arts-psychotherapeut IJzerman onvoldoende aanknopingspunten om de visie van de (bezwaar)verzekeringsarts inzake de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding, 25 februari 2008, voor onjuist te houden. De Raad ziet er niet aan voorbij dat deze arts, die appellant op 8 mei 2008 heeft gezien, het vanwege de door hem vastgestelde schizofrenie zeer moeilijk voorstelbaar achtte dat appellant ooit nog zou toekomen aan een arbeidzaam leven. De Raad kent echter doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts. De verzekeringsarts, die appellant op 21 februari 2008 zag, rapporteerde over de psychische gezondheidstoestand van appellant het navolgende:
”Belanghebbende presenteert zich op, coöperatieve en ontspannen wijze. Geen afwijkingen m.b.t. bewustzijn, oriëntatie (in tijd, plaats en persoon), waarnemen, geheugen, aandacht en concentratie, denken, handelen en willen, stemming, affectmodulatie, realiteitszin en gedrag. Normale intelligentie. Geen evidente angst, ontremming of agitatie. Voor persoonlijkheidsstoornissen geen aanwijzingen. Geen aanwijsbare psychotraumata te acherhalen. Geen psychopathologie in engere zin aanwezig.”
De bezwaarverzekeringsarts, die appellant op 28 mei 2008 zag, kon evenmin een stoornis in engere zin vaststellen, achtte een regulier westers ziektebeeld niet aanwezig en rapporteerde dat voor diagnoses als een depressie, angststoornis of psychose de typerende kenmerken en verschijnselen ontbraken.
4.2. De Raad voegt daaraan toe dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 24 februari 2010 melding maakte van eerdere informatie van de arts-psychotherapeut IJzerman van 17 augustus 2009, waaruit blijkt dat deze behandelaar niet met zekerheid kon uitsluiten dat appellant simuleerde. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven, dat het stellen van de diagnose schizofrenie door een specialist op dit vakgebied, een psychiater dient te geschieden. De Raad wijst er tot slot op dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft opgemerkt, dat de bezwaarverzekeringsarts in reactie op de voormelde brieven van de arts-psychotherapeut IJzerman mondeling te kennen heeft gegeven dat dit zijn conclusie, dat appellant geschikt is te achten voor het psychisch nauwelijks belastende arbeid van rozenplukker, onverlet laat.
4.3. Hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep geen doel treft en dat derhalve de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2010.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) T.J. van der Torn.
NK