ECLI:NL:CRVB:2010:BN7186

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6007 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen arbeid als heftruckchauffeur

Appellant, werkzaam als heftruckchauffeur, meldde zich ziek wegens nier- en psychische klachten en ontving een uitkering op grond van de Ziektewet. Na onderzoek door een verzekeringsarts werd besloten het ziekengeld per 4 maart 2008 te beëindigen omdat appellant niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid.

Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn klachten hem verhinderen te werken, maar de bezwaarverzekeringsarts bevestigde het standpunt van de verzekeringsarts. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad overweegt dat de functie van heftruckchauffeur terecht als maatstaf is genomen en dat de medische rapportages en onderzoeken voldoende onderbouwd en overtuigend zijn om te concluderen dat appellant geschikt is voor zijn arbeid. De resterende klachten vormen geen belemmering voor arbeid.

Omdat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd, ziet de Raad geen reden om het standpunt te wijzigen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van het ziekengeld wordt bevestigd omdat appellant geschikt wordt geacht zijn eigen arbeid te verrichten.

Uitspraak

09/6007 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2009, 08/1530 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 augustus 2010. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als heftruckchauffeur, heeft zich vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving op 25 juni 2007 ziek gemeld wegens nierklachten en psychische klachten. Vervolgens is hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek door de verzekeringsarts A.B. Muller op het spreekuur van 4 maart 2008 heeft het Uwv bij besluit van 4 maart 2008 aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van die datum geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd, omdat hij op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
1.3. Bij besluit van 11 april 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 maart 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts P. van Zalinge van 8 april 2008, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij in de beschikbare medische informatie omtrent appellant onvoldoende aanknopingspunten ziet om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen, waarbij zij in aanmerking heeft genomen dat de informatie van de zenuwarts en de uroloog door hen in de beoordeling is meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt, dat appellant in staat moet worden geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het Uwv aan appellant met ingang van 4 maart 2008 terecht een (verdere) uitkering ingevolge de ZW heeft geweigerd.
3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden die hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat er ten onrechte van is uitgegaan dat er geen belemmeringen zouden bestaan voor deelname aan het arbeidsproces. Hij voert hierbij aan dat hij nog met grote regelmaat last heeft van zijn nier(en) en dat de ernst van zijn psychische klachten in redelijkheid geen mogelijkheid biedt voor deelname aan het arbeidsproces. Hij acht zich hiertoe zowel fysiek als mentaal niet in staat.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 19 van Pro de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ’zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellant laatstelijk werkzaam is geweest als heftruckchauffeur, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt.
4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Op basis van dossierstudie, verkregen informatie van de behandelend zenuwarts en uroloog, alsmede eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts gemotiveerd aangegeven dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk. Voor de nierklachten is appellant onderzocht en behandeld en de klachten en beperkingen die nog resteren, vormen geen structurele belemmering voor arbeid. Ook de meest belemmerende psychische klachten zijn blijkens de verkregen informatie van de zenuwarts met de medicatie goed onder controle. De psychische klachten en beperkingen die nog aanwezig zijn, vormen evenmin een belemmering voor het arbeidsproces. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie, verkregen inlichtingen tijdens de hoorzitting en eigen onderzoek vastgesteld dat geen andere relevante feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen en dat niet is gebleken dat appellant aan een ziekte lijdt, waardoor hij beperkingen in arbeid ondervindt. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant vanaf 4 maart 2008 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Nu ook in hoger beroep door appellant geen andersluidende medische gegevens zijn overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding om appellant te volgen in zijn standpunt dat hij op de datum in geding niet in staat is zijn arbeid te verrichten.
4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2010.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) T.J. van der Torn.
TM