ECLI:NL:CRVB:2010:BN7963

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6331 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
  • T. Hoogenboom
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 6:15 AwbArt. 4:6 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang bij dagloonkwestie in WAO-uitkering

Appellant ontving een WAO-uitkering waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid meerdere keren werd herzien door het UWV. Na een herbeoordeling stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op een hogere mate dan aanvankelijk toegekend. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, met name over de vaststelling van het dagloon.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het bezwaar over het dagloon buiten de omvang van het geding viel. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV ten onrechte zijn bezwaarschrift als beroepschrift had behandeld en dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over het dagloon.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het dagloon voor het laatst was vastgesteld in 2002 en dat de latere besluiten geen beslissingen over het dagloon bevatten. Hierdoor kon appellant het gewenste resultaat met betrekking tot het dagloon niet bereiken via het hoger beroep. Het principiële belang van appellant was onvoldoende voor procesbelang. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang bij de dagloongrond.

Uitspraak

09/6331 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 oktober 2009, 08/2137 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2010. Voor appellant is verschenen mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.T. Laaracker.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is een uitkering ingevolge Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend die met ingang van 10 januari 2005 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv de mate van appellants arbeidsongeschiktheid bij besluit van 20 juni 2008 per 22 februari 2007 vastgesteld op 45 tot 55%. Bij beslissing op bezwaar van 6 november 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juni 2008, gegrond verklaard en de mate van diens arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 vastgesteld op 80 tot 100%. Bij besluit van 17 december 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat, in verband met inkomsten uit arbeid, de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 in de fictieve klasse van 55 tot 65% wordt ingedeeld. Hierbij is toepassing gegeven aan artikel 44 van Pro de WAO. Daarbij heeft het Uwv voorts de beslissing op bezwaar van 6 november 2008 ingetrokken.
1.3. Het Uwv heeft het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van
17 december 2008 naar de rechtbank doorgezonden. De rechtbank heeft het als beroepschrift in behandeling genomen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 17 december 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft appellants stelling verworpen dat het Uwv ten onrechte het bezwaarschrift van appellant aan de rechtbank heeft gezonden en niet als bezwaarschrift in behandeling heeft genomen. Volgens de rechtbank heeft het Uwv artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juist toegepast, ingevolge welke bepaling een bezwaar- of beroepschrift dat wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of onbevoegde rechter moet worden doorgezonden naar het bevoegde orgaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO in de relevante periode niet in geschil is. Wat betreft de wijze waarop het Uwv het maatmanuurloon van appellant heeft (her)berekend en de wijze waarop het Uwv de feitelijke mate van arbeidsongeschiktheid in de desbetreffende periode heeft vastgesteld op 55 tot 65% heeft de rechtbank verwezen naar een in de beroepsprocedure overgelegd rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv. In de vaststelling van het maatmanuurloon, noch in de vaststelling van de feitelijke mate van arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden dat die vaststelling onjuist is. De ter zitting van de rechtbank opgeworpen grief van appellant, dat het Uwv het dagloon vanaf 2000 en 2002 structureel op een te laag bedrag heeft vastgesteld valt volgens de rechtbank buiten de omvang van het geding. Het staat appellant vrij het Uwv op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb te verzoeken de toentertijd genomen dagloonbesluiten te herzien.
3. Desgevraagd is namens appellant ter zitting te kennen gegeven dat hij het oordeel van de rechtbank deelt over de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO en de hoogte van het voor appellant geldende maatmaninkomen. Hij kan de rechtbank echter niet volgen in haar oordeel dat zijn grond met betrekking tot het dagloon buiten de omvang van het geding valt en dat aan artikel 6:15 van Pro de Awb een juiste toepassing is gegeven.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, blijkend uit bijvoorbeeld de uitspraak van 2 januari 2007, LJN AZ6093 is eerst sprake van voldoende processueel belang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
4.2. De Raad stelt vast dat het dagloon laatstelijk bij besluit van 19 februari 2002 is vastgesteld. De besluiten van 20 juni 2008 en 17 december 2008 bevatten geen voor bezwaar of beroep vatbare beslissing over het dagloon noch ook hoefden die besluiten een dergelijke beslissing te bevatten. Aantasting van de aangevallen uitspraak kan voor appellant dan ook niet het door hem gewenste resultaat brengen met betrekking tot het dagloon. Hij heeft dan ook geen processueel belang bij het oordeel van de Raad over zijn grond daaromtrent.
4.3. Ter zitting is namens appellant te kennen gegeven dat hij het principieel een onjuiste handelwijze van het Uwv en de rechtbank vindt dat zijn bezwaarschrift als beroepschrift is beschouwd. Nu in hoger beroep geen voor beslissing door de Raad in aanmerking komende geschilpunten tussen partijen resteren, zal de Raad geen oordeel geven over deze klacht van appellant. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat, zoals de Raad in zijn in 4.1 vermelde uitspraak heeft overwogen, het hebben van een louter principieel belang onvoldoende is voor het aannemen van voldoende procesbelang.
4.4. Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 zal het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2010.
(get.) D.J. van der Vos
(get.) M.A. van Amerongen
RH