ECLI:NL:CRVB:2010:BN7999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- H.J. de Mooij
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering die werd herzien nadat de Sociale verzekeringsbank (Svb) vermoedde dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene. Een uitgebreid onderzoek door de sociale recherche, inclusief huisbezoek, buurtonderzoek, observaties en getuigenverklaringen, leidde tot de conclusie dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf 1 januari 1998.
Appellante voerde aan dat er tussen 1998 en 2006 geen gezamenlijke huishouding was en dat vanaf 15 november 2006 sprake was van een kostgangerrelatie. De Raad oordeelde echter dat de rechtbank deze vraag reeds bevestigend had beantwoord en dat de bevindingen van het onderzoek voldoende bewijs boden voor de gezamenlijke huishouding.
De Raad wees ook het argument af dat de huurovereenkomst vanaf 15 november 2006 een commerciële relatie zou aantonen, omdat de relatie tussen appellante en betrokkene een wederzijdse zorgrelatie betrof, met onder meer wederzijdse erfgenaamstelling en zorg bij ziekte.
Omdat appellante haar inlichtingenverplichting schond door de gezamenlijke huishouding niet te melden, was de Svb gerechtigd de uitkering te herzien. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de nabestaandenuitkering bevestigd.